Dit boek beschrijft de levens van twee markante figuren uit het geslacht Pauli. Simon Pauli was predikant en professor theologie aan de Universiteit Rostock in Mecklenburg-Voorpommeren, de oudste universiteit van Noord-Europa. Hij studeerde bij Melanchthon, de boezemvriend van Maarten Luther in Wittenberg. Hij drukte zijn stempel op de omvorming van de universiteit tot een protestants opleidingsinstituut. De Deen Oliger Pauli was een achterkleinzoon van Simon. Deze koopman en ziener spande zich in voor de terugkeer van de Joden naar het heilige land. Hij zag zichzelf als apostel van de Joden en een voorloper van de Messias, die spoedig terug zou keren. Hij verbleef enige jaren in Amsterdam. De auteur stamt via zijn betovergrootmoeder Johanna Paul (1822-1912) van dit geslacht af, dat teruggaat tot circa 1250. Toen woonde in Stettin in Pommeren (nu Pools gebied) ene Paulus, een burger van nobele afkomst. Hij behoorde tot de Wenden, een Slavische stam. Hij staat aan de basis van een omvangrijk geslacht dat ook in Nederland een tak heeft gevormd door de komst van Johann Paulus Pauli aan het eind van de achttiende eeuw, de grootvader van Johanna. In het boek zijn een door de auteur vertaalde preek van Simon Pauli over het einde der tijden en diens troostrede bij het overlijden van hertogin Elisabeth opgenomen.