Pagina-afbeeldingen
PDF

s t A B VV E E s P.

Onde de geene stem in staat hebbende steden van Hol, land, is w E Es P geenzins eene der geringste, zo wegens derzelver oudheid, vermaardheid als vermakelijke ligging aan de Rivier de Ve: ht, een half uur ten Zuidwesten Muiden, omtrent twee uuren ten Westen Naarden, ruim twee uuren ten Zuidoosten Amsteldam, en ruim vijf uuren ten Noorden Utrecht,

[ocr errors]

Bij de Geschiedschrijvers vind men wegens den Naams-oorsprong niets zekers geboekt. Dat deeze Stad haren naam van de Usipeten ontleenen zoude, luid al te fabelachtig, om daar aan geloof te slaan. Dat zij dezelve aan eenen Hero de Wg. sopa, die aldaar een Kasteel, van dien naam, zou gesticht hebben, verschuldigd is, is even onzeker, en dat zij om haren geduurigen kloekmoedigen tegenstand door haare vijan, den, leenspreukig, Wespe of Wispe zoude genoemd zijn, hier voor is geen den minsten grond te vinden : 't zij ons genoeg dat er in Holland een Steedje is, dat Wezop of Weesp genoemd word, bij welke laatste benaming het thans allermeest bekend is.

[ocr errors]

Hoewel men den tijd der Stichting dezer Stad met geene

zekerheid bepalen kan, veel min of dezelve altijd met ves,

dingen omringd of bevest is geweest, kan men echter bewij

zen dat zij in den Jaare 1131 reeds bekend was, als blijkt

uit zekeren brief van Andreas den vijfentwintigsten Bisschop A

Q

van Utrecht, waarin van bovengemelden Hero gewaagd word. In de handvest van Hertog Willem van Beieren in 't Jaar 1355, word van Weesp het allereerst melding gemaakt, als van eene Stad, voorzien met poorten en wallen, en hare Burgers Poorters genoemd. De Stad is zeer ruim en luchtig gebouwd en heeft verscheidene straaten, die zeer wél betimmerd zijn, van het Zuiden tot het Noorden doorsneden van de stroomende Rivier de Vecht, waar aan een Schutsluis ligt, die in een Graft uitlopende, het grootste gedeelte der Stad wederom in tweeën

deelt, terwijl het zuiderdeel met drie Graften voorzien is,

die allen in de laatstgenoemde hunne inwatering hebben. Volgends de jongste beschrijving beloopt het getal der In wooners op bijkans 28oo menschen, woonende in omtrent 5oo huizen, die wederom in ruim 730 woningen verdeeld zijn. Uit oude tekeningen en beschrijvingen blijkt het, dat Weesp voorheen met steenen wallen is omgeven geweest, welker grondslagen men, bij gelegenheden, noch ontdekken kan, en waar van men noch de overblijffels ziet aan de Muiderpoort, de Waag en den zogenaamden Olijmolen, welke gebouwen zekerlijk voor een gedeelte als rondeelen der oude Vestingwerken moeten beschouwd worden: verval en de uitleggingen der Stad hebben derzelver afbraak noodzakelijk gemaakt. – Tegenwoordig is de Stad alleen aan haar Oost en Zuidelijk gedeelte met aarde bolwerken voorzien, die naar de regelen der hedendaagsche Vestingbouwkunde opgeworpen zijn. Behalve de andere uitgangen, heeft deeze Stad drie poorten, namelijk, de Muider, Naarder of 's Gravelandsche, en Utrechtjche poort, de eerste is een oud gebouw, in wiens voorgevel het Keizerlijke wapen staat uitgehouwen, waar onder het Jaargetal 1552: de twee laatste zijn in den Jaare 1676 gebouwd, en van eenen ordentlijken aanleg.

[ocr errors]

Weesp heeft twee Wapens: te weeten het Oude en Nieuwe, Het oude verbeeld een Kerk, met een grooten toren aan den 'Voorgevel en een kleiner in de midden: de figuur heeft veel

overeenkomst met het tegenwoordig Kerkgebouw. Het nieuwe

is een zilveren paal op een blaauw veld. Het eerstgenoemde

word noch ter bezegeling van brieven of decreeten gebruikt, v

KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.

De groote Kerk, waarin de Gereformeerden hunnen Godsdienst oefenen, is, volgends Jacobus de la Torre, gesticht, of ten minsten voltooid, in den Jaare 1462, wanneer zij, naar het Roomsch Kerkgebruik, aan St. Laurentius wierd toegewijd. Het is een schoon, lang en luchtig Gebouw, pronkende met eenen spitsen toren, in wiens Koepel een welluidend Klokkenspel hangt, in 1672 door den vermaarden Petrus Hemoni vervaardigd. Op het Choor is noch een klein torentje. Dit Gesticht rust binnenwerks op 18 pijlaaren, zijnde rondom de meeste, de Predikstoel, de Gestoeltens der Regeering en anderen geplaatst. - Het Orgel, in 1592 gemaakt, heeft, naar den tijd waarin het zelve vervaardigd is, geen onaangenaam geluid, en word met deuren gesloten. In het Choor, dat met een fraai koperen hek van de Kerk is afgescheiden, vind men een kleineren Preekstoel, voormaals gebruikt, wanneer de promotie der Latijnsche Schooljeugd geschiedde. De Gereformeerde Gemeente word bediend door twee Leeraars, Leden der Classis van Amsteldam : het tractement van den Oudsten bedraagt 1oco Guldens en vrije woning in de Pastorij, dat van den jongsten is 1 1oo Guldens.

De Lutersche Gemeente word bediend door een Predi. kant behorende onder het Consistorie van Amsteldam, zij is eene der aanzienlijkste dier Geloofsbelijderen in deeze Republiek. De plaats, ter oefening van hunnen Godsdienst geschikt, is een klein doch net Gebouw, van binnen versierd met een fraai Orgel. De oorsprong deezer Gemeente word, volgends de waarschijnlijkste berichten, gesteld op den 28sten september 1642. Tobias Brustenbach was de eerste Leeraar maar ook te gelijk derzelver Stichter. In den Jaare 1647 wierd deeze Gemeente, die tot dien tijd haare Godsdienstige bijeenkomsten in een klein Huisje op de Achtergracht gehouden had, in staat gesteld tot én aankoop van een Huis en erve, 't welk, in 1654 met noch een ander Huis en erve vergroot, het tegenwoordig Kerkgebouw uitmaakt; tot den Jaare 1782, was zij in zodanige omstandigheden geplaatst, dat somtijds het nabuurig Amsteldam tot het onderhoud harer Leeraar moest medewerken ; wanneer zij door een aanzienlijk Legaat, haar bij uiterste wille besproken door wijle Vrouwe Voigt, wonende te Muiderberg, in staat gesteld wierd zich zelve te kunnen onderhouden. Den 30 September 1792 , wierd eene Jubelpreêk, bij gelegenheid van de 15o jarige instandblijving der Gemeente, door haaren toenmaligen Leeraar gedaan. De Roomsch Catholijken hebben hier ook eene Statie, die tegenwoordig door eenen waereldlijken Pastoor en Capellaan word waargenomen. Hun Kerkhuis is van binnen met een naar de bouwkunst geordend altaar versierd, en het gewelf met Bijbelsche en Kerkelijke Geschiedenissen fraai beschilderd. Waar aan de vochtigheid en ouderdom echter veel nadeel hebben toegebragt. Daar en boven is het Gesticht zelve zeer bouw- vallig en veel te bekrompen: ter ondersteuning van het Grégoriaansche Kerkgezang is er een klein doch zeer welluidend Orgel in geplaatst. Thans is op requeste, door Kerkmeesteren dier Gemeente gepresenteerd, ten einde een geschikter Kerkhuis te erlangen, gunstig appui verleend, waar door aan het verlangen van het grootste getal der Gemeentenaaren spoedig zal voldaan worden, hebbende de Kerkbestuurders bereids daar toe een geschikte plaats aangekocht. De Joden, wier getal alhier sints weinige Jaaren merkelijk is toegenomen, hebben hier een Sijnagoge of bedehuis, dat een zeer klein doch net gebouw is. Onder de Gestichten die eenige aandacht verdienen bekleed het St. Bartholomei Gasthuis geene geringe plaats. De tijd van derzelver stichting is onzeker, dat het echter van geenen jongen tijd is, blijkt uit den naam van hem aan wien het is toegewijd, en wiens beeldtenis of naam boven alle de buiteningangen dezes Gestichts is uitgehouwen. Het is een groot en geen onaanzienlijk Gebouw. Ofschoon voor zo verre men

kan nagaan, alleen geschikt voor een Gasthuis of herberging voor Vreemdelingen, worden thans ook de gebrekkigen en behoeftigen, die door de Diaconie ondersteund worden, daar in besteed. De bestuuring van dit huis is thans opgedragen aan 4 Regenten en 3 Regentessen, die 's Jaarlijks of op nieuw verkoren of anderen in hunne plaatsen gesteld worden.

Het Burger - Weeshuis, in vroegere Eeuwen een Klooster voor de Zusteren van St. Jan Euangelist, is een schoon en ruim Gebouw, geschikt ter herberginge en opvoeding van Weezen, wier Ouderen Burgeren dezer Stad waren. Deszelfs bestuur staat thans aan 5 Regenten en 4 Regentessen, die mede Jaarlijks aangesteld worden.

Het Armen-Weeshuis, een Gebouw, waarin sints 1667 de Armen Weezen, die te vooren in het St. Bartholomei Gasthuis gehuisvest waren, wierden opgevoed, en werwaards zij op besluit van Burgemeesteren en Vroedschappen in 179o wederom wierden overgebragt, dient voor het tegenwoordige ter inkwartieringe der alhier in Guarnisoen liggende Militie.

De orde vereischt dat hier ter plaatse ook melding gemaakt worde van de Stichting van wijlen den Heere Cornelis van Drosthagen, bij beslotene laatste wille, 1714 gemaakt, en 1718 door zijn dood bevestigd: volgends welke hij zijne Nalatenschap, bestaande in Huizen, Landerijen enz onder het bestuur van drie Executeuren van de Roomsche Religie gesteld heeft, zo nochthans dat bij het afsterven van eenen derzelven een Gereformeerde door de aanblijvenden, in deszelfs plaatse, mogt verkozen worden, welk laatste reeds sints een aantal Jaaren heeft stand gegrepen. - De voordeelen, uit 'deeze Goederen voordspruitende, moeten in drieën verdeeld worden, als aan zijne behoeftige Vrienden van moeders zijde; aan het Arme Weeshnis, en aan Armen der Roomsche Gezindheid. Ter gedachtenisse van deezen Heer is in een gevel van een der vernieuwde Gebouwen een steen geplaatst, waarop men het volgende versjen leest:

De voorzorg van Drosthagen
Voor Armen, Weez en Magen,
Zij steeds bij 't Nageslacht
Met dankbaarheid herdacht ! -

« VorigeDoorgaan »