Pagina-afbeeldingen
PDF

Volgens de Friesche Kronijk » kon men anno 1420 nog met een raf» ter (eenen polsstok) van Harlingen op Terschelling gaan en van Holwert op Ameland. Dog korts na dezen heeft de zee daar eene grote • wyte tusschen gemaakt, zodat ons dat gaan benomen en verboden is.” De geheele afscheiding van de eilanden Terschelling en Ameland en de opslijking en allengs voortgaande indijking van het Bildt voltooide en de Zuiderzee in het Noorden en de Friesche kusten aan die zijde. Op deze wijze kan men zich voorstellen dat de Zuiderzee ontstaan en geworden is, tot hetgene zij nu is, in een tijdvak van niet meer dan twee en eene halve eeuw (1). Uit vele en waarschijnlijke omstandigheden mag men alzoo gissen en besluiten, dat de tegenwoordige Zuiderzee, ten tijde van Plinius en Pomponius MELA , wel uit een groot en eenige kleine meren bestaan heeft, maar dat zij van tijd tot tijd door opwellingen van den ouden Vliestroom van ouds eenen uitgang, of wel den oostelijken tak des Rijns) en door hevige stormen en overstroomingen tot eenen openbaren zeeboezem is geworden, te meer, als men gadeslaat, dat vóór het jaar 1200 nog geene of weinige zeedijken bekend waren, waar bij gevoegd, zooals de Friesche kronijken getuigen, dat eenige Monniken uit Friesland, die vele landerijen hadden liggen omtrent Vlieland en Ter-Schelling, in vroege tijden tusschen gemelde twee eilanden, grachten hebben gegraven, om daarin door binnenslooten de landen van het zeewater te ontlasten : ja zouden zelfs eene diepe vaart gegraven hebben van Harlingen op Vlieland tot Texel toe; zoodat het wel te begrijpen is, hoe voormaals de onstuimige zee (zoo vele openingen aan de oevers, en daar achter meren, poelen en gebroken landen vindende) zoo veel land tot water, en dus eene openbare zee heeft kunnen maken, alhoewel, hij verloop van tijd, de aanklotsende golven nog veel land van de oevers afgeknaagd en weggespoeld hebben, zoo als uit de beschrijvingen der meeste steden, aan de Zuiderzee gelegen, blijken kan , die van tijd tot tijd veel voorland hebben verloren. Men is thans in het bezit van eene voortreffelijk Hydrographische kaart van de Zuiderzee, in vier bladen, uitgegeven op last van het departement van Marine, een werk, dat in eene langgevoelde behoefte naar wensch voorziet, en de bekwaamheid, zoo van de Heeren Officieren van Ruijn en Blommendal, als van de Graveurs van BAARsel en Turn, doet uitblinken. Van deze kaart bestaat mede eenc uitgave op verkleinde schaal in één blad. Ook is er te dezer dage een werk van den Ingenieur van Diggelen in het licht verschenen, waarbij de mogelijkheid en belangrijkheid wordt aangetoond om de Zuiderzee te bedijken en even als het Haarlemmermeer aan de zee te ontwoekeren (2). In de Zuidenzee worden vooral oesters en bot gevangen; de ansjovis is bijna te niet; haring was er vroeger in groote hoeveelheid aanwezig. Zoo ving men in April 1665, 800 lasten, ieder van 10,900 haringen, welke voor 15,620 gulden verkocht werden. De kustvisscherij levert nog voor velen een goed bestaan op. Öp den 11 October 1575 viel op de Zuiderzee een merkwaardige scheepstrijd voor, waarin de Noord-Hollanders, onder Cornelis Dirks, de

a) Men zie voorts Ds. J. G. otteux. Reaeroering over het ontstaan der Zuiderzee, medegedeeld in de Vrije Fries, D. IV, bl. 183, welk stuk wij hier hoofdzakelijk tot gids hebben genomen,

(2) Het voert den titel: De Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerzee, hare bedijking en droog staking beschote ted, door B. J. G. vAN D, GGE LEx, Zwolle, 1849.

[ocr errors][ocr errors][ocr errors][ocr errors]

Spanjaarden onder Bossu versloegen en hunnen Vlootvoogd gevangen Dannen, In 1670 is de Zuiderzee digt gevroren, zoodat, op den 4 Maart van dat jaar, 77 sleden met volk te Enkhuizen aankwamen, In de maand Januarij 1849 legde de Durgerdammer visschers Klaas Bonning, met zijne twee zonen Klaas en Jacoe, zonder het te willen, eene uiterst merkwaardige reis op de Zuiderzee af. Op Zaturdag den 13 dier maand, begaven zij zich, na hun schamel maal gebruikt te hebben, naar het ijs, ter botvangst; met het voornemen, om, bij eenen eenigzins gelukkigen uitslag, daarmede een gedeelte van den nacht door te brengen. Zoo namen zij dan ook tot proviand mede eenen ketel met koffij en twaalf sneden roggebrood; welken voorraad zij op den dag van hun vertrek en gedurende den nacht opgebruikten. De vangst was boven verwachting, zoodat zij dan ook ijverig bleven voortvisschen, ofschoon de andere visschers, die zich digter bij was bevonden hadden, reeds derwaarts terug gekeerd waren. Nadat zij, ettelijke uren na middernacht, aldus doorgebragt, en omstreeks zeven honderd vijftig botten gevangen hadden, wilden zij zich naar huis begeven, maar nu bemerkten zij, tot hnn grooten schrik, dat het ijs losgeraakt was en zij op eene schots dreven. Zij wilden naar den kant van den vasten wal snellen, maar stonden, na slechts weinige schreden gedaan te hebben, voor eene wijde, onoverkomelijke sleuf, en nu begon die verwonderlijke zwerftogt, waarbij zij, naar het schijnt, door wind of stroom , over de geheele Zuiderzee rond gedreven zijn, want zij hebben alle aan de kust gelegene plaatsen, met uitzondering van Elburg , op grooter of kleiner afstand zien lig#. Toen de Zondagmorgen aanbrak waren zij in de nabijheid van et eiland Marken, waar zij toen langs dreven tot 's avonds toe, wanneer de stroom veranderde en hen naar de Geldersche en Utrechtsche kusten heenstuurde. Deze hielden zij Maandag en Dingsdag in het gezigt. Allengskens echter verwijderde de schots zich van de kusten, en benevelde een zware mist alle uitzigt, zoodat zij de vier volgende dagen, Woensdag, Donderdag, Vrijdag en Zaturdag, bij geen mogelijkheid konden gissen, waar zij dobberden. Des Zondags (den tweeden) was de lucht weer helder en zij ontwaarden, dat zij digt voor Enkhuizen waren. Van daar dreven zij, door eenen sterken noordwesten wind voortgezweept, met eene snelle vaart, ten Noorden langs Urk heen. Hiermede verliep de Maandag en Dingsdag. Woensdag bevonden zij zich bezijden tusschen Urk en Schokland. Donderdag en Vrijdag hadden zij het laatste eiland bestendig in het gezigt. Des Zaturdags smorgens waren zij nabij Vollenhove, werwaarts zij steeds voortdreven, hier werden zij door eenige visschers ontdekt en behouden aan land gebragt, hoewel de ondste zoon weinige dagen na hunne redding en de vader eenige dagen later aan de gevolgen van de doorgestane kommer en ellende bezweken. ZUIDERZEE (HET DEPARTEMENT-WAN-DE-), voorm. depart. van het Fransche keizerrijk, palende W. en N. aan de Noordzee, N. 9 aan de Zuiderzee, Z. o aan het depart van den Opper-IJssel, * aan het depart van de Monden-aan-de-Maas. Dit departement was verdeeld in vier arrondissementen; als : dat van Amsterdam, dat van Hoorn, te zamen zeven en dertig kantons van vredegeregten uitmakende, dat van Utrecht uit zeven kanons zamengesteld en dat van Amersfoort vier kantons bevattende. Het besloeg de geheele tegenwoordige prov. Noord-Holland en een gedeelte van de prov. Utrecht. Amsterdam was er de hoofdstad van

ZUIDERZWIN (HET), water in de Zuiderzee, dat Zuidoost uit den Balg, tusschen de Riepel- en de Boerenplaat naar de Vlieter loopt, doch niet bevaren wordt. ZUIDEWELD, dingspil, prov. Drenthe. Zie Zuidenveld. ZUIDEWELD (HET), pold. in het Land-van-Altena, prov. NoordBraband. Zie Dussens-ZUIDEvELD. ZUIDEWIJN of Zijdewijn, buit. in de Langestraat, prov. NoordBraband, arr. en 4 u. W. ten Z. van 's Hertogenbosch, kant. en # u. W. ten Z. van Waalwijk, gem. en 10 min. N. W. van VrijhoevenCapelle, # u. 0. ten Z. van Capelle, aan de Hoogevaart. Dit kast. beslaat, met de daartoe behoorende gronden, eene oppervlakte van 82 bund. 42 v. r. 68 v. ell., en wordt in eigendom bezeten door den Heer ARxoLous Johannes Jozephus De Roy van Zuidewijn, die het des zomers bewoont, doch des winters te Breda zijn verblijf houdt. ZUIDEWIJN-CAPELLE, ambachtsheerl. in de Langestraat, prov. Noord-Braband, arr. 's Hertogenbosch, kant. Waalwijk, gem. Capelle, palende N. aan de heerl. Meeuwen en Drongelen , O. aan Besoijen, Z. aan 's Grevelduin-Capelle, Vrijhoeven-Capelle en Sprang, W. aan Nederveen-Capelle. Deze heerl, welke thans wel onder de gem. Capelle behoort, doch een afzonderlijk bestuur heeft, bevat een huis, genaamd het Hagoort sche- sas, staande aan de noordzijde van de Oude-Maas, en bestaat geheel uit hooilanden. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 501 bund. 96 v. ell., belastbaar land. Zij werd van de Staten van Holland ter leen gehouden, en was vóór het verdrinken van den Zuid-Hollandschc-waard eene bewoonde gemeente, met een dorp, waarin kerk en molen. Zij werd destijds in eigendom bezeten door het adellijke geslacht van de Merwede en is van dat geslacht, altijd bij erfopvolging, gekomen aan den tegenwoordigen eigenaar, den Heer ARNoldus Johannes Josephus De Roy van Zuidewijn, woonachtig des zomers op het huis Zuidewijn, des winters te Breda. Het wapen dezer heerl. is een veld van azuur met drie St. Andrieskruizen van goud. ZUIDFENNEN (DE), landstreek aan de kust der Zuiderzee, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, W. van Oudemirdum. ZUIDFENSTERDIJK (DE), dijk, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, zich uitstrekkende van Mirnserklif tot Hoiteburen, en dienende, om dat gedeelte van de prov. Friesland tegen het geweld van de Zuiderzee te beschutten. Bij den watervloed van Februarij 1825 brak deze dijk door, zoodat de dorpen Nijega, On d eg a en Kol der wol d e , benevens het geh. Elahuizen, geheel onder water werden gezet. Spoedig steeg het water van 9 tot 19 palmen op het land en in de zwakke woningen, terwijl deze, aan de sterke persing geen wederstand kunnende bieden, de eene na de andere bezweken. &#n echter hadden nog de gelegenheid have en vee in veiligheid te brengen en in het hoog gelegen Gaasterland zich te bergen, alwaar ieder menschlievend werd ontvangen. Voor anderen, ten getale van negen en tachtig zielen, grootendeels van hunne sobere bezittingen beroofd en der behoefte ten prooi, was de kerk en pastorij van Oudega tot een toevlugtsoord, al: waar zij in deze dagen van rampspoed uit den algemeenen onderstand van het hoogstnoodige werden voorzien. Het lot dezer menschen was in den aanvang boven alle denkbeeld akelig en ellendig. Ofschoon velen in deze oorden tot de geringste volksklasse behooren, was hun

[ocr errors][merged small][ocr errors][ocr errors]

hoort in nd dit de Wijs, 1 daster, et lij vers

vertrok ieten in

ongeluk niet minder treffend, want in deze vier wouddorpen was een
vijftigtal huisgezinnen geheel nooddruftig, waarvan aan eenige, in de
kerk te zamen geschoold, niets dan enkele, uit den vloed opgevischte
en daarna gedroogde, haringen, tot voedsel overbleef.
ZUIDFORT (HET), fort in het markgr. van Bergen-op-Zoom, prov.
Woord Braband. Zie WATERscHANs (DE).
ZUIDGEEST, voorm. heerl. en regtsgebied in het markgr. van Ber-
gen-op-Zoom , prov. Woord-Braband, Vierde distr., arr, Breda, kant.
Bergen-op-Zoom, gem. Woensdrecht-Hoogerheide-en-Hinkelenoord.
Zij draagt dien naam naar de hooge gronden, gelegen op ruim 4 u.
gaans ten Zuiden van Bergen-op-Zoom, even als de Noordgeest (zie
dat woord) dien heeft naar de hooge landen, welke ten N. van die
stad gelegen zijn.
Deze streek lands, welke aanvangt, bezuiden de Molenbeek of de
grensscheiding der gem. Bergen-op-Zoom, begint tegen de slikken der
Ooster-Schelde en strekt zich oostwaarts uit tot te Huibergsche baan,
alwaar zij tegen de Borgvlietsche-duinen en de Wouwsche-plantaadje
stuit, thans uitmakende de noordelijke sectie der gem. Woensdrecht-
Hoogerheide-en-Hinkelenoord. Zij bevat het geh. Zuidgeest bene-
vens eenige verstrooid liggende huizen en boerderijen. De inw. vinden
meest in den landbouw hun bestaan.
Het geh. Zuidgeest ligt 74 u. W. Z. W. van Breda, # u. Z. O. van
Bergen-op-Zoom, 1 u. N. N. O. van Woensdrecht.
Tot dit geh. behoort de Schalie hoef (zie dat woord), zijnde het
voorm. regtshuis.
ZUIDGEEST, pold, in het markgr. van Bergen-op-Zoom, prov.
Noord-Braband. Zie MoeapoLDERTJE (Oost-). -
ZUIDHARDESHAGE, eigenlijk Zuidnandeshegge, naam van een water
voorkomende in den brief, waarin, volgens het algemeene gevoelen ,
de oorsprong van het graafs. Holland te zoeken is. Men wil daaronder
de tegenwoordige Hillegonnenbeek verstaan, ofschoon sommige kronijk-
schrijvers ten onregte daarvoor het d. ZuiDeawoude willen hebben ge-
houden.
ZUIDHOEK, pold., prov. Zeeland, arr., kant. en gem. Zierikzee,
grenzende N. W. aan de haven dier stad, welke haar van den pold.
Schouwen scheidt, ofschoon onder de centrale directie van Schouwen-
Burgh-en-Westland behoorende, N. aan de genoemde stad en het Dijk-
water, O. aan den Zuider-Nieuwland-polder, met welken de pold.
Zuidhoek aan het eil. Duiveland verbonden is, Z. aan de Ooster-Schelde-
Hij heeft eene oppervlakte van 288 bund. 29 v. r. 81 v. ell., waar-
onder 217 bund. 68 v. r. 56 v. ell. schotbaar land, en wordt van
het overtollige water ontlast door eene sluis, die in de haven der stad
Zierikzee uitwatert. Daarin liggen ééne boerenhofstede en eene wo-
ning voor den dijkbaas. Hij staat onder het bestuur van eenen Dijk-
graaf en Gezworens.
Nog heeft men er een houten lichtopstand, waarop ten dienste van
de scheepvaart op de Ooster-Schelde, des nachts een licht brandt, het-
welk op eene mijl zigtbaar is. In de jaren 1756-1741 werden aan
dezen polder aanmerkelijke zinkwerken gelegd, welke gezamenlijk
282,725 gulden kostten.
ZUIDHOEK (DE), naam van het Zuidoostelijke gedeelte der Friesche
grietenij het Bildt,
ZUIDHOEK (DE), algemeene naam der Z. W. hoek der prov. Fries-
land, waarvan Hindeloopen het middelpunt is.

[graphic]

ZUIDHOEK (DE), kaap in Oost-Indië, in de Zee-van-Java. Zie

SALATAN. ZUIDHOEK (DE), of Hoek-van-Box , kaap in Oost-Indië, in den Archipel-van-St. Lazarus , resid. Amboina, aan de zuidkust van het eil. Honimoa , een der Uliassers. ZUIDHOEK (DE) of KAAP-Sauvax , kaap in Oost-Indië, in de Indische-zee, aan de zuidkust van het Sandelhout-eiland, een der KleineSunda eilanden. ZUIDHOLLANDSCHE-POLDER (DE), pold. in het Land-van-Altena , prov. Woord-Braband. Zie Dussenscne-PoLDER (NIEUwe-). ZUIDHOLLANDSCHE-WAARD (DE GROOTE-), voorm. bedijking, gedeeltelijk prov. Zuid-Holland, gedeeltelijk prov. Noord-Braband. Vermoedelijk heeft die waard gelegen binnen eene bedijking, beginnende met of sluitende tegen het Land-van-Altena; nederwaarts loopende langs de zuidzijde van de Merwede tot Heinenoord toe; van daar verder zuidwestwaarts de geheele bedijking en heerlijkheid van Mo e r kerke omringende, en voorts weder aan de overzijde der Oude-Maas de dorpen Westmaas, Strijen, Wieldrecht, Zev en bergen, de beide Zwaluwen en eenige andere insluitende ; eindelijk ook aan de andere zijde der Donge, die dorpen omdijkende, welke van ouds tot Holland gerekend zijn, en bij ons onder den naam van de Langstraat sche dorpen zijn bekend, en welke bedijking door den zoogenaamden Heidijk, die nog aanwezig is, zal zijn geschied. De oppervlakte van dien waard kan alzoo uit omtrent 50,000 morgen lands hebben bestaan. Het is even onzeker, wanneer die groote bedijking heeft plaats gehad, als de vroegere gebeurtenissen, die daartoe aanleiding gegeven hebben, te kunnen bepalen. In een handvest van Graaf Jan van Henegouwen, van het jaar 1505, komt deze bedijking het eerst voor. In een handvest of open brief van Hertog Albrecht van Beijeren, van den 28 October 1574, die eenige bestellingen maakt op de dijkgraaf- en heemraadschappen in dien waard, wordt bepaald, dat er één Heemraad wegens Dordrecht en één wegens Geertruidenberg in het dijksbestuur zitten zal, en dat men, in zekere gedeelten van het jaar, de sluizen in den Maasdam niet zal bevisschen. Wij vindeu nog twee handvesten, beide van Graaf Willem van BeiJenen, in het jaar 1415 gegeven, betrekkelijk dezen waard in de Heusdensche keuren en privilegiën van van Oudenhoven; ééne betrekkelijk den straks genoemden Heidijk, waarvan het onderhoud aan de lieden van den Groote-Zuidhollandsche-waarn werd opgedragen, en ééne, bepalende, dat die van Waalwijk, Baardwijk, Drunen, Kuik (d. i. Nieuwkuik) en Hondsoird moeten zorgen, dat de landen, door het vervallen van genoemden Heidijk, geen schade van het heiwater bekomen; welke handvesten ons te meer bevestigen, dat de Maas destijds door de sluizen te Maasdam was afgesloten, terwijl, bij eene opene rivier, het heiwater genoegzaam zonde hebben kunnen afstroomen, en daartegen dus geene grafelijke keuren zouden benoodigd geweest zijn. In dezen waard lagen de volgende 72 parochiën : Aarnouts bergen, Aarts waart, Acht hoeven, Alloys en , A1 m kerk, Al m on d e , Al m steyn, Al m s voet, Anne kerken, St. Anth onij-polder, Baardwijk, Bezoijen, Capelle, Cillershoek, Cloos te roi rt, Craaijenstein, Cruys k er ke, Da tmour, Dongen, Dords m o n d e , D over en, Drimmelen, Drongelen, Drunen, Dubbeldam, Dubbelmonde, he

« VorigeDoorgaan »