Pagina-afbeeldingen
PDF

In de kronijk der Wierumer Abten, op het jaar 1287, werd dit dorp Suraeanicke, dat is Zuidenprak, genoemd, omdat het gelegen was aan den dijk, die eertijds tegen het binnenste einde van de haven Manarumanis en dus ten Z. van de Marne was opgeworpen. De kom van het d., welke sedert het begin dezer eeuw, op een drietal huizen na, eerst gebouwd is geworden, bevat thans 58 h.. en 280 inw. en eene in 1851 nieuw gebouwde achtzijdige korenmolen. Er zijn hier drie polders, als : de Stoep en -polder, waarvan het oostelijke gedeelte onder Warfhuizen behoort. De Oude- en de Nieuwe-Zuurdijkster- polders, waarvan de westelijke gedeelten onder Vliedorp gelegen zijn (zie hier beneden). Men heeft hier, binnen den provincialen rivierdijk, zeer aanzienlijke en fraaije boerderijen en zeer vermogende landlieden, zoodat ZUURDIJK, naar diens grootte, het rijkste kerspel van geheel de provincie Groningen is. Eene aanmerkelijke keten van heuvelen, van 9 tot 18 palm. hoogte, strekt zich van het Oosten naar het Westen uit; zij maakt de tweede of binnenste streek langs den rijweg uit, en is thans met een twintigtal boerderijen en eenige mindere huizen bezet. De stipjes op de kaart van vAN STARKENBorg duiden hier de overblijfselen van eenen ouden dijk aan, die in de rigting van Barnjegat op Robersum, thans tien minuten gaans van den rivierdijk en dus nog verder van het Reitdiep, of tot de Panser, onder Vierhuizen, voortloopt, en die zich vermoedelijk aan den overonden zeedijk zal hebben aangesloten. Deze heuvelen blijven echter op het terrein 500 tot 800 schreden ten N. van de Eewer, van Vliedorps kerkhof en van Niekerk, op welke hoogte zij in eene breede wierde overgaan en zich zoo in eene schuinsche rigting naar Robersum wenden, waar de keten zich tot over Menkemaheerd en Menkematil naar de Panser wendt. Er zijn er, die de gedachten hebben geopperd, dat deze dijk tot den voortijd behoort, dat de zee, onder een verhoogd peil, dit ingedijkte naderhand wederom heeft ingenomen; dat een later volk op deze overgeblevene dijkbrokken begraafplaatsen heeft gevormd, en dat volgende geslachten er kasteelen en woningen hebben gesticht. Het is althans hoogst merkwaardig, dat velen dezer heuvelen tot begraafplaatsen in den heidenschen tijd hebben gediend, die zelfs tot eene hooge oudheid opklimmen, want men heeft niet alleen in kringen van steenen asch en urnen, maar ook strijdwapenen van eene harde en vreemde steensoort, zoo als zoogenaamde beitels of wiggen en eenen strijdhamer, gelijk er in Drenthe in de hunnebedden worden aangetroffen, in deze heuvelen gevonden. Hiervan zijn eenigen naar het Museum van Oudheden te Leyden opgezonden. Zuurdijk was vroeger met We he, dat # u. N. N. 0. van hier ligt, een staande regtstoel en maakt daarmede thans nog eene staande schepperij uit, onder het dijkregt van Houwerzijl. Na de Reductie is Zuurdijk, van 1594 tot 1619, kerkelijk vereenigd # met Leens, doch bekwam in dat jaar eenen afzonderlijken eraar in Johannes Vincentius, die in 1620 naar Losdorp vertrok, waarop ZuuaDijk andermaal met L eens vereenigd werd en alzoo bleef tot in 1650 toen het met Wehe vereenigd werd. In 1666 bekwam Zouaouk weder een eigen Predikant in Abrahamus Genninga, en tien jaren later werd Maars lag met Zuurdijk vereenigd. Genninga overleed hier in 1679, liggende in de kerk te Zuurdijk begraven. Na het overlijden van zijn opvolger Focko Fokkens, in het jaar 1681, werd Maarslag aan Mens in geweer en ZuunDisk met Wehe vereenigd, hebbende later geen eigen Predikant meer gehad, zoodat de XIII. DEEL.

Herv., die er 280 in getal zijn, nu behooren tot de gem. van Weheeu-Zuurdijk, welke hier eene kerk heeft, zijnde een uit- en inwendig met en zindelijk, langwerpig vierkant gebouw, hetwelk in het jaar 1849 geheel vernieuwd en verfraaid is. Men heeft daarin geen orgel. De niet hooge toren, met eene vierzijdige kap, is met leijen gedekt. Het opschrift van den torenklok luidt aldus :

H)er lyinricst stercftijer tune to &#tuer. 25aufte to Giner. Hyermä Il2eijmer# #oen sterrftuogben meren. Herman mi goet. 2Unnn D.J12. m. rrrcirrrii. Il2aria üen irit gcijcten. Hiercpel tu 51Irbifte Ieite mi gete. 3Vlue Jls)aria 45racia. 5. Hiumüertuä, - w Verder ziet men daarop versierselen en beeldtenissen van Heiligen. Om den derden Zondag wordt de predikdienst hier door den Predikant te Wehe waargenomen. In het jaar 1786 hebben twee vermogende Landbouwers, EYe RoELFs en HENDRIK HENDRIKs de Jonge, aan de kerk eenen nieuwen predikstoel geschonken, in plaats van den ouden steenen, waarvan men zich dus ver had moeten bedienen. In 1855 hebben twee godsdienstige leden, EveRDINA Oudeman, wed. RoELF EYes en haar schoonzoon HENDaikus JANNEs WARENDoRP ToRRINGA, ten hunnen koste, geheel nieuwe banken in de kerk doen plaatsen, en in het jaar 1849 hebben de ingezetenen baar met eenen nieuwen predikstoel en andere glazen laten versieren. De tegenwoordige kosterij was eertijds de pastorij en de toenmalige kosterij is thans door het armhuis vervangen. De Christelijke Afgescheidenen, die er zijn, behooren tot de gem. Leens. - De R. K., die er wonen . parochiëren op den Hoorn. Men heeft in dit dorp ééne school, welke gemiddeld door 40 leerlinen bezocht wordt. ZUURDIJKSCHE-POLDER (DE NIEUWE-). pold. in Hunsingo, prov. Groningen, arr. Appingedam, kant. Onderdendam, gedeeltelijk onder Zuurdijk, gem. Leens, gedeeltelijk onder Vliedorp, gem. Ulrum, palende N. en O. aan de Oude-Zuurdijkster-polder, Z. aan de kwelders van het Reitdiep, W. aan den Vliedorper- of Hoogster-polder. Deze pold., welke in het jaar 1805 bedijkt is, beslaat, volgens het kadaster, met den dijk, eene oppervlakte van 65 bund. 58 v. r. 80 v. ell., waaronder 58 bund. 76 v. r. 70 v. ell., schotbaar land, als : onder Zuurdijk. volgens het kadaster, 54 bund. 25 v. r. 50 v. ell. alles schotbaar land, en onder Vliedorp, volgens het kadaster. 29 bund. 15 v. r. 50 v. ell., en daaronder 4 bund. 62 v. r. 10 v. ell., kadijk zijnde, geen schotbaar land. Deze pold. is onbewoond en zonder huizen, behoorende aan vier boerderijen, als : twee onder Zuurdijk en twee onder Vliedorp. Hij wordt door eene pomp of duikersluis, op het Reitdiep, van het overtollige water ontlast. Het polderbestuur bestaat uit twee Volmagten. ZUURDIJKSTER-POLDER (DE OUDE), ook wel DE ZUURDIJksteaUITERDijk-Polden geheeten, pold. in Hunsingo, prov. Groningen, arr. Appingedam, kant. Onderdendam, gedeeltelijk onder Zuurdijk, gem. Leens, gedeeltelijk onder Vliedorp, gem. Ulrum, palende N. aan den provincialen rivierdijk, O. aan den Stoepen-polder , Z. aan het Reitdiep, W. aan den Nieuwe-Zuurdijkster polder. Deze pold., welke in het jaar 1729 bedijkt is, beslaat, volgens het kadaster, met den dijk (16 bund. 51 v. r. 50 v. ell.), eene oppervlakte van 557 bund. 1 v. r. 40 v. eil., zijnde alles schotbaar land, als : onder Zuurdijk 270 bund. 57 v. r. 70 v. ell., en onder Vliedorp 66 bund. 45 v. r. 70 v. cll. Men vindt er slechts eene boerderij, behoorende onder Vliedorp, welke boerderij, Waterloo genoemd, met geheel den polder, in Februarij 1825, door zeewater overstroomd werd, echter wisten de bewoners zich in tijds door de vlugt naar Houwerzijl te redden. De tegenwoordige bezitter en bewoner is Albert Johannes VerbeNius ; het overige gedeelte dezes polders is onder tien landbouwers en twee burgers, die binnen den provincialen dijk wonen, verdeeld. Deze pold. wordt door eene duikersluis of klief, op het Reitdiep, van het overtollige water ontlast. Het polderbestuur bestaat uit twee Volmagten, ZUURHUIZUM, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Achtkarspelen. Zie SURHUIzum. ZUURIG, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Wonseradeel. Zie SUR1G. ZUURLANDSCHE-DIJK , naam, welken men ook wel eens geeft aan den ZueRlandsche-Dijk, in het Land-van-Voorne, prov. ZuidHolland. Zie ZUERLANDsche-DIJK. ZUURWENNERSLUISJE (HET), eigenlijk het Zuiden-VENNEasluisse, sluis in den zeedijk, prov. Friesland, kw. Zevenwouden, griet. Gaasterland, waardoor de Merdesloot in de Zuiderzee uitloopt. Het peilmerk ligt 1,169 ell., boven A. P. ZUURZAK, plant. in West-Indië, op het eil. Curaçao, in de Oost-divisie, W. Z. W. van den Midden-Seinpost. ZUUTHERDERSHAGE, plaats, vermeld in de tiende eeuw. Zie ZUIDHARDERsHAGE. ZUUTSANDE , oude naam van het d. ZuidzANDE, in Staats-Vlaanderen, in het Vrije van Sluis, prov. Zeeland. Zie Zuidzande. ZUWE (DE) of de Demmeriken-Zuwe, door de wandeling de TeRAARscueZuwe genaamd, weg in het AWederkwartier der prov. Utrecht, gem. Vinkeveen-en-Waverveen, in eene oostelijke rigting, een uur gaans, van den Demmeriker-dijk, door den Demmeriker-polder, naar de gem. Ruwiel of Ter-Aa loopende. ZUWE (DE) of Kontesnoersche-Zuwe, rijweg, prov. Woord-Holland, em Kortenhoef. Zie Kortenhoersche-Zuwe. ZUWE (DE) of de Mijdrechtsche-Zuwe, weg in het Wederkwartier der prov. Utrecht, gem. Mijdrecht, in eene westnoordwestelijke rigting, een half uur lang, van den Mijdrechtsche-dijk naar de Uithoornsche-brug loopende. In vroegeren tijd bestond ter wederzijde van deze Zuwe een uitgeveende waterplas, welke thans is drooggemaakt en goed bouwland . oplevert, zijnde de Mijdrechtsche droogmakerij ZU WE (DE) of De Vinkeveensche-Zuwe, weg in het Wederkwartier der prov. Utrecht. Zie Vinkeveensche Zuwe (DE). ZUWE (DE) of De Wilnisseh-Zuwe , weg in het Wederkwartier der prov. Utrecht, in eene zuidelijke rigting loopende van het d. Wilnis naar de Hollandsche-kade. ZUWEY (DE KORTE-) of de Korte Suwer, water, prov. Friestand, kw. Oostergoo, griet. Dantumadeel, op de grenzen van de griet. Tietjerksteradeel, met eene zuidelijke rigting uit het Zwartebroek naar de Lange-Zuwey loopende. ZUWEY (DE LANGE-) of de Lange-Suwer, water, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Dantumadeel, met eene oostelijke strekking, van de Korte-Zuwey naar de Hout-Wielen loopende.

ZUWOUDE, d., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Tietjerksteradeel. Zie Suawoude ZUYDENBURCH , oud adell. h.. in de st. Utrecht, aan de zuidzijde van de Oude-gracht. ZUYDERBURGH of Zuidenburg, buit. in Delfland, prov. Zuid-Holland, arr. en # u. Z. O. van 's Gravenhage, kant. en # u. Z. W. van Voorburg, gem. Veur-en-Leydschendam-Noordzijde, aan de Delftsche Vliet. De Geneeskundige Pieten HENDRIKsz, Oud-Hoogleeraar van de Hoogeschool te Groningen, heeft op dit buit. den laatsten tijd zijns levens doorgebragt en is aldaar den 26 October 1845 overleden. ZUYLEN, gem. in het Wederkwartier der prov. Utrecht, arr. Utrecht, kant. Maarssen (5 k.. d., 5 m. k.., 1 s. d.); palende N. W. aan de gem. Maarssen en Maarsseveen, N. O. aan de gem. Westbroek, 0. aan Achttienhoven, Z. O., Z. en Z. W. aan de gem. Utrecht. Deze gem. bestaat uit de heerl. Zuyl en-en-S we zer-Engh en Oostwaar d; bevat het d. Zuylen, benevens het geh. Oost waar d; beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 651 bund. 68 v. r. 47 v. ell., waaronder 627 bund. 85 v. r. 57 v. ell. belastbaar land; telt 150 h., bewoond door 150 huisgez., uitmakende eene bevolking van 785 in w., die hun bestaan vinden in 4 pannenbakkerijen en 5 steenovens en in den landbouw. De Herv., die er ongeveer 500 in getal zijn, onder welke nagenoeg 200 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Amersfoort, ring van Tienhoven, behoort. Vroeger had Zuylen doorgaans geen eigen Predikant maar behoorde kerkelijk gedeeltelijk onder Maarssen, gedeeltelijk onder Westbroek, hoewel uit een request (zoo het schijnt geschreven in 1690) van Peter Dannusszoon, Dienaar des Goddelijken woords tot Zuylen, blijkt, dat hij sedert het jaar 1589 hier gediend heeft. In het jaar 1590 werd hij in het examen zuiver bevonden. Den 20 Januarij 1620 werd hier, op hoog bevel, door Jan van Dulmen, Onderwijzer der jeugd, een begin gemaakt, om op Zondag voor den middag, uit de Postille van BULeus, der gemeente voor te lezen. In 1621 geschiedde zulks insgelijks des namiddags uit den Catechismus van LAwsbengen. Hem werd ook opgegeven, wat hij op de bededagen moest lezen. Daarna verzocht de klassis van Utrecht, in 1627, aan die van Amersfoort, dat men op de bevordering van de predikdienst met ernst mogt aandringen. In het jaar 1652 werd hier 's namiddags met veel vrucht gecatechiseerd. De klass. van Utrecht vernieuwde in het jaar 1640 haar verzoek, om, ter bevordering van de predikdienst, ter plaatse, waar het behoorde, met allen ernst aan te houden. In het volgende jaar verzochten de ingezetenen, dat zij zelven een eigen Predikant mogten hebben Er waren toen 18 Ledematen, van welken 12 te Maarsen en 6 te Westbroek ten H. Avondmaal gingen. Ook was het gehoor, zoowel des voor- als des namiddags, vrij talrijk. Om die reden verzocht men de Staten, in het jaar 1642, dat hier voorloopig een Predikant of Proponent mogt prediken, welk verzoek in het volgende jaar vernieuwd werd. Men zag toen om naar middelen, tot goedmaking van de onkosten, welke tot de Predikdienst vereischt werden, en men gaf daartoe, in het jaar 1645, last en bevel aan den Rentmeester der gebenificeerde goederen. In het jaar 1647 werd door de klassis van Utrecht hare aanmaning vernieuwd, om de zaak, waar het behoorde, met allen ernst voort te zetten. Nadat de schoolmeester en voorlezer naar de Meijerij van 's Hertogenbosch vertrokken

[ocr errors][ocr errors]

was, werd de kapel voor eenigen tijd gesloten, doch naderhand we-
derom geopend. en verzocht toen van de Algemeene Staten, dat
voorloopig door Predikanten en Proponenten aldaar gepredikt mogt
worden, in welk verzoek, na lang aanhouden, dan ook bewilligd werd
Vervolgens kreeg men vergunning, om ook eenen eigen Predikant te
mogen hebben. In het jaar 1651 , werd aldaar als eerste Predikant
beroepen Henaicus Teckman Arnoldiril , die in het jaar 1652 derwaarts
kwam, en in het jaar 1660 naar Amersfoort vertrok. Over het beroe
van den Predikant is verschil geweest, tot dat men in het jaar 1716
overeengekomen is, dat dit beurtelings door den kerkeraad en door den
Ambachtsheer zou geschieden, zoo als ook nu nog plaats heeft. On-
der de alhier gestaan hebbende Predikanten verdienen melding ABRABAmus
Jacobus DRIJFHout, die hier in 1756 kwam en in 1765 als Hoogleeraar ,
naar Harderwijk beroepen werd, en de Oostersche Taalgeleerde, Ge-
schied- en Oudheidkundige Gerardus Kuipers, van 6 Februarij tot 18 De-
cember 1774.
De R. K., van welke men er ongeveer 280 telt, parochiëren te Maarssen,
Men heeft in deze gem. eene school te Zuilen, welke gemiddeld
door 80 leerlingen bezocht worden.
Het wapen dezer gem. bestaat uit een veld van keel, met drie zui-

len van zilver, gedekt met eene gouden kroon, ter wederzijde vastgehouden door eenen wildeman.

ZUYLEN-EN-SWESER-ENGH, heerl. in het Nederkwartier der prov. -r Utrecht, arr, Utrecht, kant. Maarssen, gem. Zuylen, palende N. aan de heerl. Westbroek. O. aan de Horst, Z. aan de Vecht, W. aan de heerl. Maarsseveen. Deze heerl. bevat het d. Zuil en en eenige verspreid staande huizen, beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 555 bnnd. 55 v. r. 68 v. ell., waaronder 529 bund. 72 v. r. 78 v. ell. belasthaar land ; telt 155 h., bewoond door 155 huisgez, uitmakende eene bevolking van 675 inw., die meest hun bestaan vinden in 4 pannenen 2 steenbakkerijen en in den landbouw. De Herv., die er ruim 440 in getal zijn, behooren tot de gem. Zuilen.De R. K., van welke men er 250 telt , parochiëren te Maarssen. Men heeft in deze gem. ééne school, welke gemiddeld door 80 leerlingen bezocht wordt. Deze heerl. behoorde van ouds ten deele aan den Bisschop van Utrecht, ten deele aan den Abt van Oostbroek, zoo als blijkt uit eenen verlijbrief van den Abt van Oostbroek van het jaar 1446, en twee andere van David van Bourgondië, den vijf en twintigsten Bisschop van Utrecht, van 22 Maart en 12 November des jaars 1458, alsmede volgens den brief van overgifte van Vrouwe Elizabeth van Culembong, weduwe van Johan van Luxemburg, Heer van Vyle, van 19 Februarij 1510, en het verlij van den Abt, Prior in het klooster van Oostbroek, den 14 April van het zelfde jaar daarop gegeven. En alhoewel Hendrik van Beijeaes, de acht en vijftigste Bisschop, den Graaf van Rennenberg Zuylen met brief en zegel als eene hooge heerlijkheid heeft opgedragen, heeft nogthans hij, noch eenig later bezitter, daar ooit het regt, aan eene hooge heerlijkheid toekomende, nitgeoefend, zoo als nader blijkt uit het vertoog, in naam van voornoemdeu Graaf van Rennenberg gedaan,

om , even als zijne voorzaten , als Heer van Zuylen, en niet tot Zuy

len, te mogen beschreven worden, onder belofte van, uit dezen of anderen hoofde, geene regten van hooge heerlijkheid te zullen uitoefenen. Destijds was Zunten leenroerig aan het Sticht van Utrecht,

« VorigeDoorgaan »