Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

UIT HET BOSCHLEVEN.
Naar het Zweedsch van A. SEGERSTEDT;

DOOB

C. EYKMAN.

De bewoners van Hedegard zijn door mijlenlange bosschen van hunne naaste buren gescheiden. Zoo ver het oog reikt, ziet men naar alle kanten hoogten, die met naaldhout begroeid zijn, en in het westen rijst als uit een nevel de Syltop omhoog.

Op den dag, waarmee dit verhaal begint, graasde het vee op de open plaats, die zich om de hofstede uitstrekte; het was Zondag en de beestenhoeder wilde en mocht t'huis blijven. Anders moest hij, zoo lang de zomer duurde, het vee in het bosch laten grazen. Eigenlijke weilanden had de hofstee niet; de beesten moesten onder opzicht van een hoeder hun voedsel in de bosschen zoeken en hadden hun stal in de boerderij. Zoo was het althans sedert den tijd, dat „Beren-Jan" zich door aankoop van het huis in deze onbewoonde streek neerzette.

Beren-Jan had de tachtig jaren achter den rug, maar was nog krachtig genoeg, om eenig licht werk te verrichten. In vroegere dagen was hij een sterk en vlug man geweest en de bijnaam, dien hij droeg, was hem niet voor niet gegeven. Hij had namelijk in zijn leven negen en twintig beren geveld.

Zijn zoon heette Mats en werd „ Beren-Mats" geheeten. Hij kreeg dien naam, toen hij zijn eersten beer velde. Hij was toen slechts twintig jaar oud, en deze en gene meenden, dat de onderscheiding die in den naam lag, te vroeg kwam; maar Mats zou zich dien titel waardig toonen, al leefde hij niet lang. Toen hij in de kracht van het leven stierf, was het getal der kerven op de geweerkolf tot negen en vijftig gestegen, en iedere kerf beduidde een gevelden beer. Dit geweer, dat een getrokken loop had, was als erfstuk van Jan overgegaan op Mats, die alzoo dertig beren des wouds geschoten had.

Mats liet eene vrouw na benevens twee kinderen: eenedochter, die nu negentien en een zoon, die dertien jaar oud was. Het meisje heette Marit en de jongen heette Jan, naar zijn grootvader. De oude man, de weduwe en hare kinderen maakten de bevolking

O

van Hedegard uit, en Jan had tot taak gekregen, het vee te hoeden.

„Klein-Jan" was een vlugge knaap en geleek op vader en grootvader. De grootste schat, dien hij op aarde kende, was het geweer met getrokken loop, dat netjes gepoetst aan den wand hing en gereed was, om ieder oogenblik gebruikt te worden. Op den dag dat de knaap zijn twintigste jaar voleindigd had, zou het geweer zijn eigendom worden, eerder niet. Zoo had zijn grootvader bepaald, en wat deze eenmaal bepaald had, daaraan viel niets te veranderen. En Jan scheen die tijd zoo lang — zou hij wel ooit komen? Menigmaal telde hij de insnijdingen op het hout en sedert lang had hij met den nagel aangeschrapt, waar de zestigste kerf moest komen, wanneer hij man geworden was en zijn eersten beer geschoten had. Wanneer het geweer werd schoon gemaakt, stond hij altijd aan de knie van zijn grootvader; dit was zoo geweest van den tijd af, dat hij pas op zijne voeten staan kon. Dit jaar had zijn grootvader hem opgedragen, het geweer schoon en vrij van roest te houden; de dag, waarop hem die taak werd opgelegd, was de gelukkigste, dien hij beleefd had. Hij werd toen in zijne oogen op zijn minst een voet langer en tien jaar ouder. Aan den muur hing ook een ander geweer, het kleintje" genaamd, maar dit stond bij den knaap niet hoog aangeschreven; het werd slechts gebruikt, om vogels te schieten.

Hedegard was toen ter tijd niet groot en er viel wenig te doen. Alleen in den hooitijd had men de handen Toi werk. Dan moest men hulp uit het gehucht zien te krijgen, vooral sedert grootvader niet meer kon meedoen aan het werk, dat krachtsinspanning vereischte. In de laatste jaren was een neef van de weduwe, een jonkman

O

van ruim twintig jaar, Hakan geheeten, in den oogsttijd op Hede

o

gard gekomen. Het was altijd een blijde dag, wanneer hij kwam; dan hoorde men nieuwtjes uit het gehucht, waarop men grooten prijs stelde, want niet zelden verliepen er maanden, gedurende welke men niets van de buren te weten kwam. Maar het blijdst

O

was Marit, als Hakan kwam; neef en nicht hadden van kindsbeen af veel van elkander gehouden en in den herfst zouden zij met

O

elkaar trouwen en dan zou Hakan het bestuur van de hofstee op zich nemen.

O

Op den bovengemelden dag was Hakan gekomen en de bewoners der hofstee zaten voor het huis om hem heen, om te hooren, wat hij te vertellen had. Maar het nieuws was ditmaal niet van vroolijken aard. In den omtrek hadden zich beren vertoond en reeds waren beesten verscheurd gevonden. Men vreesde, dat het gevaar met den herfst nog grooter zou worden. Het ergst had een wijfjesbeer, gevolgd van hare twee jongen, gewoed; zij was zelfs op een herder aangevallen, die met groote moeite aan hare klauwen ontsnapt was.

„ God helpe en beware ons en onze arme beesten!" zeide de beangste moeder. „ Voortaan heb ik rust noch duur, als Jan uit is." Zij zag haar zoon aan met blikken, waaruit teedere bezorgdheid sprak.

„ Onze lieve Heer zal ons wel bewaren," zeide de grootvader. Jan moet „ het kleintje" meenemen, als hij het bosch ingaat. Wij zullen er een schot los kruit op doen, en als het niet helpt, wanneer hij op den koehoorn blaast, dan moet hij „ het kleintje" maar afschieten en dan sta ik er voor in, dat het monster op den loop gaat."

Een schot los kruit?" vroeg de knaap, en de stem verried, dat hij wat anders wilde. „ Neen, grootvader, laat mij het groote geweer met een kogel er op nemen, dan zal het beter gaan, dat beloof ik u." Hij was opgestaan en stond daar onvervaard in zijne volle lengte; zijne bruine wangen gloeiden en zijne oogen fonkelden.

„ Ho, ho, mijn jongen," antwoordde de oude man en beschouwde met welbehagen den moedigen knaap, „wij hebben den tijd; gij zijt nog te jong, om u met „ hem zelf" te meten."

„ Maar grootvader schoot ook niet met los kruit, toen bruin kwam, en vader ook niet," vervolgde de knaap. „ Zij hielden zich ook niet op met schreeuwen en toeten."

„ Maar, mijn jongen, wij waren twintig jaar en ouder," antwoordde de oude man. „ Als gij ook zoo oud zijt, zal ik u niet tegenhouden, wanneer ik leef; maar nu blijft het, zooals ik gezegd heb."

Spreek geen hoovaardige taal, Jan," vermaande zijne moeder, „ want de hoogmoedigen weet de Heer te vinden, eer zij het vermoeden."

De jongen antwoordde niet, maar spoedde zich weg, om een paar beesten, die in het bosch gegaan waren, terug te drijven, en dien avond werd er niet meer over de zaak gesproken.

De volgende morgen kwam met heldere lucht en zonneschijn, de nevel steeg langs de hellingen der heuvels op als een witte sluier. Als naar gewoonte werd het vee vroegtijdig uitgedreven en met bezorgdheid keek de moeder Jan na, die tot afscheid op den koehoorn blies, toen hij het voetpad insloeg en verdween. Zij bleef op den drempel van het woonhuis staan, zoolang zij de schelletjes en het geblaf van den herdershond kon hooren.

„ Onze lieve Heer helpe hem en het arme vee," zuchtte zij, keerde zich om en ging naar binnen.

„Wees niet bang voor den jongen," sprak de grootvader, die vlak achter haar stond. „ Hij zal zich wel redden. Als het ondier een schot hoort, maakt het beenen, dat is zoo zeker als tweemaal twee vier is. Maar die Jan is een ferme jongen; had hij het groote geweer met een kogel er in, dan zou hij niets bang zijn, het aan te leggen, als het er op aankwam; maar hij is nog te jong, en met „hem zelf" is niet te spotten, als het schot mist."

Toen de jongen op de plaats kwam, waar het vee zou grazen, nam hij een stuk boombast en begon er aan te snijden. Nadat hij dit naar wensch gefatsoeneerd had, maakte hij vuur en hield er het deksel van zijn glas boven; in het deksel had hij eenige stukjes lood gelegd en toen deze gesmolten waren, goot hij het metaal in den boombastvorm, brak dien kort daarna stuk en een goed gevormde puntkogel kwam te voorschijn.

„ Ho, mijn jongen, die is niet voor jou!" Hij sprak tot zijn hond, die kwispelstaartend en met gespitste ooren het werk aanzag. „ Maar mocht bruin komen, dan...." Hij sneed met zijn mes eenige oneffenheden op den kogel weg, wikkelde hem in een stuk papier en stiet hem daarop in den loop van het geweer.

De dag verliep 'en reeds daalde de zon naar het westen. Het was doodstil in het bosch. Het vee lag met half gesloten oogen onder de boomen te herkauwen; slechts nu en dan, wanneer eene bloeddorstige vlieg of horzel zich op hen had neergezet, schudden zij met de koppen, zoodat de schelletjes tingelden. De hond lag als een ring en sliep onbezorgd, zonder zelfs iets van de mieren te merken, die hier en daar vergeefsche pogingen aanwendden, om in zijn pels te dringen.

Van de plaats, waar de beesten graasden, geleidde eene tamelijk steile, met struiken begroeide helling naar eene lager gelegen dalvlakte. Op den kant van deze helling met den rug tegen een grooten steen leunende, zat Jan. In de hand had hij zijn catechismus, hij was in een lange „ spreuk" verdiept, waarmee zijn geheugen en zijn verstand niet klaar konden komen. Telkens begon hij opnieuw, maar zoodra hij beproefde, of hij ze van buiten kende, bracht hij het niet verder dan den eersten regel. Toch hield hij vol; hij begon telkens opnieuw en hield daarbij de oogen op een grooten denneboom gericht, die geheel eenzaam stond en wiens takken zich langzaam bewogen. De oogen van den jongen sloten zich al meer en meer en de den nam de gestalte van Mozes aan, juist zooals deze profeet in den catechismus geteekend stond; hij zwaaide met de armen en hield de steenen tafelen vlak voor Jan's oogen, en langzaam zakte de catechismus uit zijne hand en viel op den grond.

En in de boomtoppen zong de wind zijn eentonig, slaperig wiegeliedje.

Vlak bij de helling van den heuvel lag de stier. Hij begon al dieper en dieper adem te halen en blies, zooals de beesten plegen te doen, wanneer zij iets ongewoons bespeuren. Hij opende de door den slaap bezwaarde oogen, boog het hoofd, hield de ooren stil en keek in de richting van het dalpad; eindelijk sprong hij op en begon zoo te brullen, dat het in het bosch weergalmde.

« VorigeDoorgaan »