Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

In den slaap meende Jan, dat Mozes den koehoorn genomen had en er op blies. Slaapdronken rees de jongen op en zag, hoe de beesten met de staarten omhoog naar den kant sprongen, waar de weg, die naar de hofstee geleidde, begon; maar de herdershond — het was nog een jong beest — kwam jankende op Jan toe en scheen zeer verschrikt.

Slechts een oogenblik was de knaap in verwarring, de volgende seconde was hij volkomen wakker en begreep dadelijk, wat dit alles beteekende. Hij greep het eerst naar den koehoorn, maar bezon zich, nam het geweer en keek naar dezelfde plaats, waarop de hond al knorrende de oogen gevestigd hield.

Uit een donker, plomp hoofd zagen twee fonkelende, kleine oogen op hem. Het was de beruchte wijfjesbeer, en aan hare zijde tuimelden twee jongen al spelende over elkander.

De afstand tusschen den knaap en het wilde dier was slechts ettelijke ellen en beiden schenen te overleggen, wat hun te doen stond. Brommend richtte het dier zich op de achterpooten; Jan legde het geweer aan de wang, mikte op de borst van het dier en het schot ging af.

Voor de stoute schutter nog kon zien, of zijn lood getroffen had, voelde hij, dat er iets zwaars tegen hem aanviel. Hij liet het geweer vallen, rukte zijn mes uit de schede en stiet toe; dit alles was het werk van een oogenblik. Jan voelde, dat hij de helling afviel; het werd donker om hem heen, hij viel in zwijm.

Toen hij weer tot zich zelven begon te komen, voelde hij iets nats en kouds om het hoofd en daaronder iets zachts. Hij sloeg de oogen op en zag de aangezichten van Marit en Hakau; zij betten zijn hoofd met koud water.

„Waar zijn de koeien?" vroeg hij.

„ T'huis en allen ongedeerd," was het antwoord.

„En de beer?"

„Dien hebt gij tot hoofdkussen."

Dit werkte op Jan als een tooverwoord. Hij sprong op en keek op den grond; daar lag de wijfjesbeer, en zijn mes zat nog in hare borst.

Hij zweeg eenige oogenblikken en beschouwde het beest; daarna keek hij op en lachte.

Hij voelde zich stijf en pijnlijk in het geheele lichaam; van den schouder, den arm en een schram op de wang droop hloed, maar gevaarlijk gewond was hij niet.

Met eenige woorden verklaarde hij, hoe hij den kogel gemaakt had en wat er verder gebeurd was Marit ijlde naar huis om hare moeder gerust te stellen, die in onmacht gevallen was, toen het vee alleen naar huis kwam. De grootvader had haar, zoo goed hij kon, bijgestaan; ook hij was er erg genoeg aan toe.

Kort na Marit begaven zich ook Jan en Hakan op weg. Op eenigen afstand van de woning ontmoetten zij de moeder, die schreiende Jan in hare armen sloot.

Gode zij dank!" sprak zij snikkende. n Maar wat een waaghals zijt gij geweest!" zeide zij na eene poos en zag, door de tranen heen lachende, haar zoon aan.

„ Waar is grootvader?"

„Hij zou juist het huis uitgaan, toen Marit kwam. Toen hij hoorde, hoe het gegaan was, was hij #oo blij, als ik hem vroeger nooit gezien heb. Ga jij maar, zeide hij tot mij, ga jij maar. Ik ben zoo blij, dat ik nergens toe deug."

Toen zij binnen kwamen, stond de grootvader midden in de kamer met het fraaie geweer in de hand; zoo groot, zoo kaarsrecht had niemand hem vroeger gezien. De gerimpelde huid had kleur gekregen en zijne oogen glinsterden. Hij sneed met het mes een kerf in de kolf van het geweer; het was de zestigste.

Toen de jongen dit zag, gevoelde hij, dat er iets ongewoons op handen was. Hij voelde het schrijnen der wonden, de pijn der hem toegebrachte stooten niet meer; hij zag slechts zijn ouden grootvader en het groote geweer, den schat, waarvan hij jaren lang gedroomd had.

v Voor u," zeide de oude en reikte hem het geweer toe.

De handen van den knaap beefden, toen hij er naar greep; het werd hem donker voor de oog3n en hij haalde diep adem.

„ Voor mij," sprak de jongen eindelijk; de woorden klonken zoo diep en de bleeke wangen gloeiden.

„ Ja, voor u, gij hebt het eerlijk verdiend." De aandoening werd den ouden man te machtig en twee groote tranen rolden over zijn aangezicht. Hij zette zich op de bank neder. „ God zegene, zegene ...." Hij kon de woorden niet verder uitbrengen. De oogen sloten zich en de wangen werden doodsbleek.

„Groote God, ik geloof dat vader sterft!" borst de moeder uit en sloeg de armen om den ouden man, om hem te steunen.

Grootvader keek op.

Ja," zeide hij met een glimlach, „ maar ik ga.... blijde.... heen. God bescherme u, beren-Jan!" Hij wilde den jongen de hand toesteken, maar ze viel hem langs het lijf.

Door het kleine venster scheen de zon naar binnen en bestraalde het kalme gelaat van den tachtigjarigen doode.

MEVROUW PAGE'S TWEEDE HUWELIJK.
Naar het Engelsen

DOOR

P. VAN WICHEEE1T Hz.

Daar werd op dien warmen zomerschen namiddag geen geluid op het aangenaam gelegen buitenverblijf gehoord. Hoe dun de muren ook waren, men kon zelfs geen muis hooren piepen. Open deuren en vensters kondigden evenwel aan, dat het huis bewoond werd; veldstoelen stonden in de gaanderij, nieuwsbladen en tijdschriften lagen verspreid, alsof men ze in haast had laten liggen.

Een lichte voetstap verbrak de stilte: een dame kwam te voorschijn; zich bevallig en gemakkelijk voortbewegende, begaf zij zich naar een overschaduwd balcon, dat het uitzicht op zee had, en nam daar plaats. De lichte golven kabbelden zachtjes daarheen, om zich tegen het strand te breken; witte zeilen vertoonden zich in de verte en vlokkige wolken dreven in de heerlijke, blauwe lucht. De aanschouwster merkte dit alles op en genoot het verhevene schoon van den dag. Ofschoon in haar boek verdiept, kon zij niet nalaten gedurig een blik te werpen op het tooneel, dat haar omringde.

Het oog op een vooruitstekende rots gevestigd houdende, zag zij iemand, die haar gadesloeg. Hij zette een bril op, om zich te 1880. I. 5

overtuigen, dat zij het inderdaad was; hij klom toen over een balustrade heen en trad haastig op haar toe.

Zij keek in het eerst verdrietig en scheen willens zich te verwijderen, maar liet die gedachte weer varen en deed haar best om den indringer met een vriendelijken glimlach te verwelkomen. Hij glimlachte ook, toen hij zijn hoed afnam en liet daarbij fraaie tanden zien, zeer in tegenspraak met zijn blijkbaar reeds bejaarden leeftijd. Hij had regelmatige gelaatstrekken; zijn grijs haar was zoo kort mogelijk gesneden, en hij had bepaald een gedistingeerd voorkomen.

Haar eerbiedig groetende ging hij nevens haar zitten.

„ Welk een geluk voor mij! Inderdaad, toen ik van middag zoo ronddwaalde, had ik niet gedacht, dat mij zulk een genoegen te beurt zou vallen." Dit was eigenlijk niets dan huichelarij, want hij was nergens anders om gaan ronddwalen, zooals hij het noemde, dan in de hoop op deze ontmoeting.

De dame zag hem vriendelijk glimlachend aan.

„ Mevrouw Page," begon hij opeens: „ sta mij toe nog eens terug te komen op het onderwerp, waarin wij onlangs op dien avond zoo ongelukkig werden gestoord." — „Och, mijnheer Lee," antwoordde zij met afgewenden blik, „ waarom zouden wij ons niet tot een meer dagelijksch onderwerp van gesprek bepalen. Ik. hou zooveel van u en ik ben zoo begeerig uwe vriendschap te behouden, dat ik geen moed heb mij tegen u te verzetten, en toch ...."

Zij had aardige, lieve, bevallige manieren, niet geheel vrij van coquetterie. Zij zag hem van ter zijde aan en bloosde min of meer, in spijt van het groot verschil in jaren.

„En toch?" herhaalde hij met vuur. „Wat beteekent dat toch?" — „Ik heb liever vrienden dan minnaars," antwoordde zij op stelligen toon.

„ Maar mijn lieve mevrouw Page, de wereld is zoo bedilziek, en gelooft niet aan vriendschap tusschen man en vrouw."

Zijn toon was min of meer sarcastisch. Klaarblijkelijk hield mijnheer Lee niet van tegenwerpingen.

Mevrouw Page zag eerst naar de zee en vervolgens naar haren bezoeker. „Kon ik uwe doohter maar zijn!" fluisterde zij toen zachtjes.

« VorigeDoorgaan »