Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

zijn pligt zou brengen, en klaagde zijnen nood aan Zadig, die nu reeds zijn vertrouweling geworden was.

//Waar ter plaatse," vroeg deze zijnen heer, //hebt gij den Jood die vijfhonderd oneen zilver geleend ?" — // Op een breeden steen," was het antwoord, // die nabij den berg Horeb ligt. — // Wat heeft uw schuldenaar voor een karakter ?" — //Hoe kunt gij zoo iets vragen, Zadig? Hij heeft het karakter van een schurk." — // Dat zal wel waar wezen," hernam Zadig, //maar too meende ik het niet. Ik wilde weten, of hij vlug of traag van temperament, of hij slim, voorbarig of bedachtzaam is ?" — //O," zeide Setok, //aan slimheid ontbreekt 4iet hem in 't geheel niet." — //Nu, wij zullen zien," sprak Zadig. //Veroorloof mij, dat ik in uwen naam eene aanklagt bij den kadi mag indienen." — Dit werd hem terstond toegestaan.

Hierop liet Zadig den Jood voor den regter dagen. De eerste vraag van dezen was, of Zadig getuigen had. //Neen," was het antwoord: // zij zijn gestorven; maar er is nog een breede steen voorhanden, waarop toenmaals het geld geteld werd. Wanneer het u behaagt," ging hij voort, //veroorloof dan, dat men dien steen hier brenge; hij zal van de zaak, hoop ik, getuigenis geven. Wij blijven intusschen hier tot de steen komt, en de kosten van vervoer zijn voor rekening van mijnen heer." — // Ik ben er mede tevreden," zeide de regter, en ging over tot eene andere zaak.

Toen de zitting ten einde liep, zeide de regter tot Zadig: //Er komt nog geen steen; hoe zit dat?" — //Ha, ha!" viel de Jood lagchend in: // wij kunnen hier lang zitten wachten; want de steen is verscheidene mijlen van hier verwijderd, en er behoort ten minste twaalf man toe, om hem te vervoeren." — // Ziet gij wel," viel Zadig hem in de rede, // dat ik met regt beweerde, dat de steen tegen u getuigen zou? Daar gij weet waar hij ligt en hoe zwaar hij is, bekent gij tevens, dat hij de zelfde is, waarop u het zilver is toegeteld."

De Jood was zeer onthutst, en de regter had verder geen bewijs noodig. Hij dwong den Jood nu zijne schelmerij te bekennen , waarop de regter hem veroordeelde om aan den steen gesmeed te worden, indien hij niet binnen vier-en-twintig uren zijne schuld betaald had.

MENGELINGEN.

De Vogezische tijger. — In de weken, die op de Fransche Februarij-omwenteling van 1848 volgden, wischte men te Parijs overal het woord royal uit, om het een of ander republikeinsch woord daarvoor in de plaats te stellen. Zoo werd de Place royal een tijd lang Place des Vosges of Vogezen-plein genoemd.

Om dezen tijd kwam de eigenaar van eene menagerie te Parijs, die bijzonder trotsch op het voornaamste artikel van zijn wildebeestenspel was — een prachtige koningstijger namelijk. Maar hoe nu de zaak te beginnen, om de verdiensten van dit dier aan te prijzen en toch het republikeinsch gevoel niet te beleedigen? Het geval was kritiek; maar den eigenaar der menagerie viel op eens een steen van het hart, toen het naambordje hem in het oog viel van het plein, waar hij zijne tent had opgeslagen. Hij adverteerde nu in de dagbladen en op de aanplakbilletten, dat zich onder zijne merkwaardige vreemde dieren de prachtigste Vogezische tijger bevond, die ooit te zien was geweest.

Dit maakte buitengemeen opzien, en alle geleerden van Parijs bezochten het dier, waarin zij een kind van het vaderlandsch gebergte meenden te ontmoeten; ja verscheidene van deze heeren rigtten zelfs geschriften aan de Académie des Sciences, om deze aan te sporen tot een onderzoek, hoe deze merkwaardige nationale tijger in de Vogezen gekomen was. Geen der leden van deze instelling wist echter eenige opheldering dienaangaande te geven.

Een misverstand. — Verleden jaar liet, gedurende het concert op het terras van de kur-zaal te Wiesbaden, eene Russische dame aan verscheidene van hare bekenden eene broche zien met eène prachtige camee, aan welker in vatting iets beschadigd was, en vroeg of men haar niet een juwelier kon aanbevelen, aan wien zij het herstel er van kon toevertrouwen. // Mevrouw de gravin," zeide op dit oogenblik eene kleine Parisienne, die nabij de dame gezeten was en het gesprek had aangehoord: // wanneer gij het verlangt, kan ik u wel bij een goudwerker brengen, waar mijn papa van morgen mama's bracelet gebragt heeft om te herstellen." — //Dat zou mij zeer aangenaam zijn, kindlief!" sprak de dame. //Kom, geef mij de hand, en wijs mij den weg." En het kleine meisje bragt de Kussische dame bij haars vaders juwelier.

//Hoeveel wilt gij daarop hebben?" vroeg deze, met een onmiskenbaar Joodsch accent. — // Ik wenschte alleen dat gij die schade aan de in vatting zoudt willen herstellen." — // Ik ben geen goudwerker, mevrouw!" was het antwoord; //ik leen alleen op panden."

De directeur van een reizenden troep, die, zoo als dat met dergelijke lieden wel meer gebeurt, plotseling vertrok, en het grootste gedeelte van zijne schulden had vergeten te betalen, kwam niettemin den volgenden winter andermaal bij de magistraat der stad verlof vragen om tooneelvoorstellingen te mogen geven. Dit verzoek werd in de stad bekend. In een logement, waar de directeur heel wat had laten zitten, merkte een der gasten aan: // Ik geloof nooit dat hij hier zijne rekening vinden zal." — //O," riep de waardin, //laat hem maar komen! Bij mij zal hij zijne rekening wel degelijk vinden."

Merkwaardige leergierigheid. — Een jong modeheertje raakte verliefd op eene bloemenverkoopster, en verklaarde zijne liefde, door een brillanten ring van zijn vinger te nemen, en daarmede op eene vensterruit te schrijven: //Ik bemin u; wilt gij mij weder beminnen?" Daarop reikte hij haar den diamant toe, en verzocht haar, hem op de zelfde wijze te antwoorden. — // Maar," zeide het meisje, terwijl zij de oogen nedersloeg, //ik kan niet schrijven" — // Dan moet gij het leeren," was het antwoord. — // Dat wil ik ook gaarne," sprak zij, //en daarom zal ik de pen maar behouden."

HET

LEESKABINET.

« VorigeDoorgaan »