Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

van

te Haarlem, en der Zijlpoort te Leiden zijn van dit friesche woord síl = sluis afkomstig. Mede een bewijs, of men 't anders ook al niet wist, voor den zuiver- of gemengd frieschen oorsprong van de bevolking in Kennemerland en Rijnland.)

Met het woord horne, herne, herna, hoek beduidende, zijn samengesteld de plaatsnamen Ter Horne, Kuikhorne, Trophorne en zoo menig ander horn in andere oudfriesche gewesten, b. v. Barsingerhorn, Kolhorn in NoordHolland ; Noord- en Zuidhorn in de provincie Groningen, enz. Weer andere friesche plaatsnamen vertoonen nog klanken en letterverbindingen uit het oudfriesch af komstig, die aan 't hedendaagsche nederlandsch vreemd zijn, en tot menigerlei misverstand en misspelling aanleiding geven; b. v. Eagum, Peasens, Eangvirden, Fljuesen, Tzum of Tjum, Lioessens, enz. Slechts zeer weinig friesche plaatsnamen komen nog steeds in zuiver friesche spelling voor, en zijn nog steeds onverbasterd friesch. Dit zijn natuurlijk slechts namen zeer kleine dorpen en halfvergeten gehuchten, die weinig genoemd en geschreven worden, allerminst door niet-Friezen. Het zijn Greontern en Surich, dorpen in de gemeente Wonseradeel ; Hiaure, dorp in West-Dongeradeel ; Sparjebird, in betere spelling Sparriabird (Sparringa-bird), oeverland aan 't geslacht Sparria of Sparringa behoorende, gehucht bij 't dorp Winiaterp in Opsterland ; Llealsbird, gehucht bij 't dorp Roodkerk in Dantumadeel ; Sánlean gehucht bij 't dorp Lutke-Wierum in Hennaarderadeel; (in F. W. van Breest Smallenburg's Algemeen aardrijks- en geschiedk. woordenboek van de prov. Friesland, Sneek 1833, een weinig vertrouwbare bron, komt de naam van dit gehucht ook, zonderling genoeg, als Sonderland voor), Utsiuch, ook wel, in minder goede spelling, als Uutsjoeg geschreven, Suawei, Healdoar, enz.

Over 't geheel genomen staat de spelling der friesche plaatsnamen vrij vast, en voldoet ook in den regel aan de eischen die door 't gezond verstand, en door de wetten der nederlandsche taal worden voorgeschreven. Ouderwetsche, verouderde spelwijzen komen bij de friesche plaatsnamen ook volstrekt niet in grooter aantal voor, dan bij die in andere nederlandsche gewesten. Als we ons herinneren dat men voor een twintigtal jaren den naam der stad Leiden, dien zetel onzer taalgeleerden, en zoo midden in Holland gelegen, waar men toch wel met recht de minste afwijkingen van 't geijkte nederlandsch verwachten mag, toch nog in den regel als Leyden schreef, en zelfs wel even veelvuldig als Leijden, dan kan 't ons niet verwonderen, dat deze en gene Fries nog steeds Dockum blijft schrijven, in plaats van Dokkum. Maar in andere plaatsnamen, die in de vorige eeuw nog algemeen met ck geschreven werden, Mackum,

Leckum, Ackrum, Balck, vindt men thans nooit anders dan kk of k, Makkum, Akkrum, Balk. Anders is het met de v. Die letter zit in sommige friesche plaatsnamen nog vast in den zadel. Men schrijft nog algemeen, ook officiëel, Bo.cum, Waacens, Exmorra, Laaxum, Aazens, Luxwolda, Sexbierum. Heeft die x, in deze friesche, in deze germaansche namen, nog recht of reden van bestaan? Immers neen! Men dient Boksum (Bok’sum, Bokko's heim, woonplaats van Bokko, Bokke, nog heden als friesche mans. naam in volle gebruik), Waaksens, Eksmorra, enz. te schrijven. Het noordbrabantsche Bokstel heeft in den laatsten tijd, sedert dit dorp aan een kruispunt van spoorwegen ligt, en dus zijn naam meer in der lieden mond gekomen is, zijn ouderwetsche x (Boxtel) moeten verliezen. Boksum en de andere bovengenoeinde friesche plaatsnamen met x, mogen die letter niet houden, 200 min als Saaksum en Saaksumhuizen, Fokshol, Foksham en Eeksta in de prov. Groningen, als Eekst, Eeksterveen, Ekslo, enz. in Drente, die nog steeds als Saaxum, Foxhol, Eexta, Exlo geschreven worden. De speelt geen rol meer in friesche plaatsnamen ; de onzinnige spellingen Franequer en Molquerum voor Franeker en Molkwerum, die in de vorige eeuw nog voorkwamen, zijn thans voor goed opgeruimd. De Groningers zijn met hun Usquert voor Uskwert nog niet zoo verre.

In eenige friesche plaatsnamen is de ouderwetsche en verouderde spelling der woordjes old, wold en holt voor oud, woud en hout nog in gebruik. In sommigen dezer namen heerscht die spelling nog algemeen en uitsluitend : Noordwolde, Kolderwolde, Oosterwolde vindt men nooit anders dan aldus geschreven. Anderen dezer namen bevinden zich reeds in een tijdperk van overgang; men vindt tegenwoordig zoowel Oldetryne, Oldelamer, Olde Holtpade of Oldeholtpade, Oldeboorn geschreven, als Oudetryne of Oudetrijne, Oudeboorn, enz. Bij nog anderen, die in de eerste tientallen jaren dezer eeuw nog algemeen en tot op de helft dezer eeuw nog veelvuldig deze oude spelling behouden hadden, Oldega, Akkerwolde, Wolterswolde, Murmerwolde, Dantumarolde, Oldwolde, heeft men die thans geheel en al laten varen, en schrijft slechts Oudega, Wouterswoude, Oudwoude enz. Bij een enkelen dorpsnaam is men zoo onredelijk mogelijk en schrijft men tegenwoordig in een en den zelfden naam, gelijktijdig den ouden en den nieuwen

dezer woorden; namelijk in Oude Holtpade, in plaats van volkomen ouderwetsch Olde Holtpade of volkomen nieuwerwetsch Oude Houtpade te schrijven.

In de spelling van al deze plaatsnamen heerscht dus een groote onregelmatigheid, die onbehoorlijk is en waardoor menigeen niet weet hoe hij dergelijke namen schrijven zal. De rede eischt, om die namen volgens de

vorm

regels der nederlandsche taal, zooals die tegenwoordige gelden, te schrijven ; dus Oudeboorn en niet Oldeboorn, Noordwoude en niet Noordwolde. Ook geen enkele Stand-Fries, al hoe gaarne hij alles wil behouden wat eigenaardig friesch (en tevens goed) is, kan hier iets op tegen hebben. Want dat old, wold, holt is juist geenszins friesch. Ware 't dat ja, men zou er nog een lans voor kunnen breken om te beweren dat men die bijzondere spellingen moest behouden. Maar neen juist die bijzondere vorm dier woordjes is saksisch-nederduitsch (platduitsch noemt men dat nu), en niet friesch of frankisch. Terwijl reeds sedert eeuwen in de frankische streken van Nederland, in Holland, Zeeland, Vlaanderen, Brabant, de ouklank in deze woorden heerschte, zoowel in de spreektaal als in geschrifte, hield men er in saksische streken van ons land (de graafschap Zutfen, Salland en Twente) en in de friso-saksische (noordelijk Overijssel, Drente en Groningerland) de oorspronkelijke 1 in. En ofschoon men nu natuurlijk ook in deze saksische streken al die eigenaardigheden, in de schrijftaal, l'eeds sedert lang voor de algemeene nederlandsche schrijftaal, met hare meest hollandsche, frankische, vormen heeft verruild, 200 zijn toch, om hier van de spreektaal niet te gewagen, in de spelling der plaatsnamen die oudsaksische bijzonderheden veelvuldig in wezen gebleven, tot op dezen dag, De Friezen, nadat ze omstreeks 't jaar 1500 hunne eigene friesche taal, als geijkte schrijftaal hadden laten varen, gebruikten in de 16de en 17de eeuw, in hun nederduitsch veel meer de saksische vormen, die in hunne naburige gewesten en tevens in geheel Noord-Duitschland in zwang waren, dan de in Holland gebruikelijke frankische vormen. Van daar dat in Friesland sommige dezer vormen, vooral in plaatsnamen, nog tot onze dagen in gebruik gebleven zijn. Nu hebben, naar mijne meening, de saksische vormen in het nederduitsch even veel recht van bestaan als de frankische, al zijn de eerstgenoemden dan ook uit het hedendaagsche geijkte nederlandsch, dat bij voorkeur de frankische vormen opgenomen heeft, verbannen. Zoo kan ik, bij gevolg, de spelwijze old, wold en holt in plaatsnamen ook niet af keuren. Toch moet ik erkennen dat men wel degelijk oud, woud en hout dient te schrijven, zoo men het hedendaagsche geijkte nederlandsch als de eenig geldige vorm van 't nederduitsch in ons land wil beschouwen; ook om de wille eener, door velen noodzakelijk geachte eenheid is dit van belang. Maar, zoo dan de Friezen hun Oldeboorn, Noordwolde en Olde Holtpade in Oudeboorn, Oude-Houtpade, enz. moeten veranderen, dan zullen de Groningers de l in hun plaatsnamen Oldehore, Bellingwolde, de Drenten in Ruinerwold, de Overijsselaar, in Oldemark, de Gelderschen in Oldebroek en Ter Wolde, enz. ook voor de u moeten verwis

b. v.

selen, en Oudehove, Ruinerwoud, Oudemark, enz. moeten schrijven. Dit zal echter zoo gemakkelijk niet gaan; want dergelijke plaatsnamen worden in die saksische en friso-saksische streken van ons land ook werkelijk zoo uitgesproken als men ze schrijft, 't welk in Friesland het geval niet is. In Friesland spreekt men zulke namen of in 't friesch uit, als Ikkerwalde

(spreek Ikkerwaode), Aldeboarn (spreek Aodeboan) voor Akkerwoude, Oudeboorn, of, in 't nederlandsch, volgens de letter.

Tegenover dit old, oud, in de friesche plaatsnamen, staat ny, nieuw. Ny, en niet nij, zooals het door ongeletterden dikwijls geschreven wordt, is het friesche woord voor nieuw, en dit woord dient, in dien vorm, naar mijne meening, in de friesche plaatsnamen behouden, en niet door 't hollandsche nieuw vervangen te worden. Immers 1o. is men nu eenmaal van oudsher aan dien vorm gewend, komen de meesten dier plaatsnamen nooit anders voor en moet ook, naar mijn oordeel, het oorspronkelijke friesch in de plaatsnamen zooveel mogelijk behouden worden; 2°. kan dit ny dienen ter onderscheiding van gelijksoortige en soms volkomen gelijke plaatsnamen in andere gewesten -- b. v. Nykerk in Friesland met Niekerk in Groningen; Nyezijl in Friesland, met Niezijl in Groningen — ; 3o. zou de misstand te groot zijn, indien men zuiver friesche plaatsnamen half zou willen verhollandschen, en half friesch laten, zooals 't geval zou zijn indien men Nyega (letterlijk Nieuwedorp beteekenende) tot Nieuwega zou willen omvormen. Zulke namen, die nooit anders dan in hun frieschen vorm worden genoemd en geschreven, half of geheel te verhollandschen, zou volkomen 't zelfde zijn als of men b. v. den naam van 't zeeuwsche dorp Nieuwerkerk als Nykerk wilde schrijven, of dien van 't utrechtsche Nieuwersluis als Nyezijl. Het eene is niet dwazer dan 't andere.

Terwijl bij plaatsnamen die reeds voor 1500 bestonden, uitsluitend 't woordje ny in gebruik is, hebben andere plaatsnamen in Friesland, die van jongeren oorsprong zijn, ook wel 't nederlandsche nieuw voor zich ; b. v. Dokkumer-nieuwe-zijlen, het nieuwe Bilt, Nieuw- Appelsga, enz. Enkele namen, ofschoon ze in den regel met ny geschreven worden, komen in den laatsten tijd ook wel met nieuw voor ; dit zijn de plaatsnamen Nyland, Niewland; Nyhuisum, Nieuwhuizum; Nyeschool, Nieuweschoot, enz. Bij deze onstandvastige namen geef ik, om boven vermelde reden, aan den ouderen vorm ny de voorkeur. Het nieuwfriesche ny, nye luidde in 't oudfriesch ni, nia ; die alleroudste

van dit woord is nog in wezen gebleven in den naam van 't dorp Niawier in Oost-Dongeradeel. Men spelt dezen dorpsnaam ook wel, volgens de hedendaagsche uitspraak, als Nyewier; in Witkamp's Aardrijks

vorm

enz.

kundig woordenboek komt hij als Wijewier voor, en in Smallenburg's Aardrijkskundig woordenboek, zelfs als Nieuwwier: De oudste, en tevens nog meest gebruikelijke spelling Niawier verdient de voorkeur, dunkt me.

Eenige triesche plaatsnamen hebben 't woord lutke, lutje voor zich. Dit is een oud nedersaksisch woord, en beteekent klein; het komt in oorsprong overeen met het friesche woord lits, 't engelsche little, 't nederlandsche luttel. Zulke namen zijn Lutke-Lollum, Lutke-Wierum, Lutke-Laard, enz. In andere gouen van Nederland en Duitschland, die eveneens een friesche bevolking hebben, komt dit zelfde woord eveneens in plaatsnamen voor; b. v. LutjeBroek, Lutje-Wal, Lutje-Winkel in Noord-Holland; Lutje-Wytwerd, LutkeWoude, Lutke-Saaksum in de provincie Groningen ; Lütje-Driever, Lütje-Gast, Lütje-Wolde in Oost-Friesland; Lütje-Dorf bij Misselwarden in Worsaten,

De vormen lutke en lutje wisselen elkander af, en zijn soms wel beiden in gebruik, bij een en den zelfden plaatsnaam. Lutke is de oudere vorm en verdient de voorkeur, dunkt me.

Zoo als boven reeds is vermeld, is 't woord lutke of lutje saksisch en niet friesch ; de zelfde oorzaken, die de saksische vormen old, wold en holt bij de friesche plaatsnamen in gebruik deden komen, brachten ook 't gebruik van 't saksische lutke, en niet van ’t frankische klein, voor 't friesche

De Friezen zelven, als ze de friesche taal spreken, noemen natuurlijk bij deze plaatsnamen ook steeds 't friesche líts in plaats van lutje; b. v. Litse-Wierum, Lítje-Lollum, Litse-Geast, enz.

De friesche tweeklank ea komt in sommige friesche plaatsnamen voor: Peasens, Eagum, Eangwirden, Eamburen. Deze friesche tweeklank moet geenszins verward worden met ae, 'twelk in de friesche taal, en tevens in 't oud nederlandsch, anders niet is als een lange, opene a; de Vlamingen gebruikten tot voor weinige jaren de ae ook nog algemeen om aa aan te duiden. De friesche tweeklank ea wordt ook gansch anders uitgesproken, namelijk ten naasten bij als de klank in 't nederlandsche woord heer. In den laatsten tijd vindt men zulke plaatsnamen dikwijls met ae, in plaats van ea geschreven; b. v. Paesens, Aemburen, Aegum, enz., 't welk niet anders dan als Pasens, Aamburen, Agum kan uitgesproken worden. Maar zoo heeten dié plaatsen niet, en zóo spreekt ook niemand die namen uit. Integendeel, uitspraak en oorsprong dezer friesche tweeklank eischen dringend dat men in 't schrijven de e voor de a plaatse. Een verouderde spelwijze van dezen zelfden klank is Æ, , de a en de e tot een enkel letterteeken verbonden. Deze schrijfwijze, die ook nog veelvuldig in gebruik is Ægum, Engwirden, Pæsens), moet, duidelijkheidshalve, wijken voor de ea.

In sommige friesche plaatsnamen heeft de hollandsche = ten onrechte

líts te weeg:

« VorigeDoorgaan »