Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Men heeft veeltijds gemeend dat het tweede bestanddeel van dezen plaatsnaam uit zee bestond. Een blik op de bovenstaande lijst doet vermoeden, dat ook reeds door menigeen onzer voorvaderen van de dertiende eeuw diezelfde meening gekoesterd werd. Die meening is echter onjuist.

Dat deze stad ooit aan eene opene zee gelegen heeft, hiervan is bij geen schrijver of op geene kaart eenig spoor van overlevering bewaard gebleven. Doch, al wilde men het bijna onmogelijke geval aannemen, dat de herinnering en overlevering daarvan reeds in de 13de eeuw verloren was, dan moet men een feit als waarheid vooropstellen, dat juist voor die eerste kinderlijke eeuwen onaannemelijk en onmogelijk is: dat namelijk de stichters of bewoners aan hunne opkomende stad den naam van eene zee zouden gegeven hebben.

Eene met deze gekunstelde, onware uitlegging geheel overeenkomend voorbeeld biedt de stad Briel aan, die evenzoo haren naam zoude ontvangen hebben van eenen Breeden Hel, waaraan het gesticht werd, maar welke Breede Hel daarna even spoorloos verdween! 1)

Ook in etymologie geldt: geef ons natuur en waarheid weer !

Die schrijfwijze zee is daarom te houden voor de stomme getuige van een dier volksetymologiën of volksassimilatiën, zooals ze in elke taal voorkomen, daarin bestaande, dat het volk aan den naam of aan een gedeelte daarvan eene soort van beteekenis gaf uit zijn eigen taalschat, onverschillig of die met het oorspronkelijk in hoegenaamd geen verband stond. Zie hierover De Taal der Aardrijkskunde, door I. Dornseiffen, in het Tijdschrift van het A. G. I, 234.

Toch hebben zoodanige meeningen op de schrijfwijzen van latere tijden beslissenden invloed gehad.

Ook Elkerzee, insgelijks op Schouwen gelegen, lijdt waarschijnlijk aan dezelfde ziekte. Daar zij minder dan hare zuster in de geschiedenis geschitterd heeft, komt haar naam ook minder dikwijls in de oudste oorkonden voor. Van den Bergh, Midd. N. Geogr. bl. 245, vermeldt de vormen Hilchersee en Elegaersee (ao 1274). En onder den vorm Elgerze komt haar naam voor in een zoo het schijnt eenigszins slordig geschreven stuk van het jaar 1293: Wij har Pieter van Ziericzee, canonic t' Uitrecht, te sinte Martins ten dome, deken en provisoir van Schouden, har Claes Willemszoone, prochy pape van Elgerze enz. (Okb. v. H. & Z. 855). In 1350; Elgerzee wordt gevonden : in 1493 : Elckerzee, (zie boven bl. 11 en 13).

1) Door den hérdruk van dit eerste deel kan thans verwezen worden naar het opstel over den Briel, in het Ilde deel dezer Nom. geogr. Neerl. bl. 3–10.

Haar naam is met groote waarschijnlijkheid af te leiden van eenen persoonsnaam Hildigar, Hilliger, Hilger.

Ook van deze plaats moet, evenals van Zieriksee, nog bewezen worden, dat zij eens aan eene zee lag en dat deze, nadat haar naam was overgegaan op de stad, daarna voor altijd verdwenen is.

In tegenoverstelling hiervan komt Heidenzee, dat werkelijk een gedeelte zee was, — waarschijnlijk tusschen Walcheren en het door de golven verzwolgen Schooneveld gelegen, in de Hollandsche oude documenten geregeld met twee ee's gespeld voor : Heidenzee 1223, Hedensee 1223, Hedinezee 1250, Hedenezie 1253, Hedinsee 1254 ter, Hedinzee 1 253 bis, Heydiinszee 1258, Heidineze 1289 fransch stuk, ter en 1290 fr. st. veelmalen, Heidinezei 1289 fr. st., Hedinezie 1290 fr. st., Hedinezé 1290 fr. st., Hedinezei 1290 fr. st., Heydenzee 1290 Holl. st., Heydene Zee, 1305 : V. Alkemade, Den Briel. Aanhangsel p. 13.

Eene tweede meening over het laatste bestanddeel van Zieriksee is yeuit door Prof. Brill, (Versl. en mededeel. v. d. K. Ak. v. W. Afd. Letterk. 1862, bl. 68), dat namelijk ee of eede misschien zoude ontstaan zijn, door den oud-Saksischen Umlaut, uit vode.

Doch hiertegen doet Prof. Kern opmerken, dat er in het oude Saksisch nog geen Umlaut voor 00 bestond. In het later Saksisch en Frankisch, d. i. Nederlandsch was de Umlaut van 00: eu; dus Geldersch heuren, heupen enz. Hollandsch bleu (bloode); in het Hollandsch is de Umlaut voor oo (d. i. scherpe oo) zeer zeldzaam. In Latijnsche charters vindt men

eu wel eens door e aangeduid, doch dit laat zich verklaren uit de uitspraak van het Latijn in de Middeleeuwen, toen oe als e werd uitgesproken, zoodat men in toenmalige Latijnsche stukken pena voor poena vindt.

Hoeufft, Taalk. Bijdr. tot de naamsuitgangen v. Ned. plaatsen, 1816, bl. 30) was van meening dat ee jy water of eiland“ beteekent, zooals men die ontınoet in Bommenee, Duivenee en Flak-ee (d. i. Vlak Ee).

Het laatste werd ook voorgestaan door Prof. M. de Vries, (Versl. en Mededeel. d. K. Ak. v. W. 1859, bl. 10): ee of eiland van Zierik.

Zeker zoude eene vergelijking met Odense op Fyen (Funen) in Denemarken, dat door deskundigen eenparig voor Odin's Ee, d. i. : eiland van Odin gehouden wordt, pleiten voor het laatste gevoelen, indien hiertegen niet weerstreefden de talrijke plaatsen in ons eigen vaderland, bepaaldelijk in de voormalig Friesche gewesten en de daaraan onmiddellijk grenzende streken, waar Ee, Ye, Ie, IJ de ondubbelzinnige beteekenis heeft van water, zooals Edam, (Yedamme 1339), Krommenie (Crommenye 1292), Middelie Middella, 1277), het IJ, Purmerye, Dokkumer Ee enz. ; terwijl daarentegen de

onze

ver

plaatsnamen, die door Hoeufft worden aangehaald, als bewijs voor zijn gevoelen dat ee eiland zoude beteekenen, namelijk Bommenee, Duivenee en Flak-ee, zelf maar al te zeer een bewijs behoeven dat dit inderdaad zoo is. Ook Prof. de Vries bracht geene voorbeelden tot bewijs aan, dat ergens in ons land ee voor eiland gebruikt is geworden.

Bij de hierboven vermelde gissingen wagen wij het nog eene te voegen, die zich aanbeveelt door eenvoud en door de analogie van andere plaatsnamen..

Immers wanneer wij zien :

dat een der oudste vormen, waarin die plaatsnaam voorkomt, is Syricseporth (porte, stad van Sirik?), zooals graaf Willem dien officieel noemde,

dat de oudste vormen en vele der latere niet twee, maar ééne e toonen,

dat daarentegen Heydenzee, dat buiten eenigen twijfel van de zee haren naam ontving, in diezelfde eeuw geregeld met twee ee's, in de Hollandsche oorkonden, geschreven wordt,

dat die uitgang -zee of -see op geenerlei bevredigende wijze kan worden uitgelegd,

dat het volk zeer dikwijls van eenen lastig uittespreken, dagelijks terugkomenden naam iets aflaat, liefst den staart, waarbij soms gansche stukken van den naam te loor gaan, Dordt, Den Haag, (Alardskindskerke) Serooskerke, (Bodegrave) Boorf, (Zwammerdam) Damme enz.,

dat ten gevolge van die af kapping de laatste e van dien genitivus Sirikse wellicht meer hoorbaar is geworden en van lieverlede zelfs die lettergreep den klemtoon heeft ontvangen, zoodat de verkeerde meening kon post vatten, als ware het woord met zee samengesteld,

dan is de gissing gerechtvaardigd, dat wij hier te doen hebben met eenen genitivus van den persoonsnaam Sierik, waarvan het laatste, regeerende deel porth of porte is weggelaten.

Eene hoogst merkwaardige analogie, geheel in dezen geest, wordt waargenomen in de geschiedenis van het boven reeds vermelde, bijna gelijkluidende dorp Sirikeshusen, welks naam in den loop der eeuwen tot Sigerse of Siersse, Sierse, Siersze is ingekrompen.

De gewestelijke uitspraak van dezen plaatsnaam in den tegenwoordigen tijd is Zurriksee (J. B. Broekema). Afgeleid van de stad is de familienaam Zirkzee. Amsterdam.

I. DORNSEIFFEN.

Leiden. De eerste vermelding van dezen plaatsnaam wordt gevonden in het Register van de goederen der St. Maartenskerk te Utrecht, dat oorspronkelijk omstreeks den jare 960 opgesteld werd. Eenparig wordt in de drie afschriften die daarvan nog bestaan, (twee uit de 12de en één uit de 14de eeuw) die naam Leithon gespeld. (Oorkb. v. Holl. en Zeel., v. d. Bergh. I, 33.)

Door Seibertz, Quellen der Westfäl. Gesch., wordt de eerste vermelding van den naam op c. 857 gesteld en wel in het Chronicon Clivense. Dit handschrift, dat zich in de Berlijnsche bibliotheek bevindt, is echter van de 13de eeuw, en verdient dus voor ons doel niet de voorkeur boven het reeds gemelde Register.

De vormen, waaronder die naam vervolgens in het bovengemelde oorkondenboek voorkomt, zijn de navolgende :

in villa que vocatur Leythem, in een chartularium of kopieboek van het klooster van Egmond van vóór 993.

Leythen, in een charter van 26 Juli 1083.

In Leythan, in eene opgave van de inkomsten der abdij van Egmond, tusschen de jaren 1083 en 1120.

Leithen, 11 43. Een der getuigen in deze oorkonde genoemd heet Harbernus de Liethen. (Leyderdorpe, tusschen 1130 en datum apud Leydis, 1237. 1161.)

datum Leyden, 1238. (Liethemuthe, 1156).

datum Leydis, 1242. Leithen, 1168.

datum Leidis, 1243, 18 Nov. Leythen, 1209.

datum in Leyden, 1243, 28 Nov. Leithen, 1201.

datum apud Leyden, (en Mauricio Leyden, 1204 en 1206 of 7.

de Leydemuda), 1244. Leithen, driemaal in 1213.

Theodorus castellanus de Leythen, Leyden, 1215.

1 245, 23 Nov. Leythen, 1220.

Thedoricus castellanus de Leithen, Leyden, 1223, Mei.

1245, 23 Nov. Leiden, 1223, 22 Juli.

(flumen Leithenmeer, 1248.) (Leythorpe, Leitherdorp, (tlumen dictum Leythenmere, 1249.) 1226 (3)

castellanae de Leyden, 1251. Leythen, 1226, 26 Jan.

datum Leyde, 1253. Leiden, 1226, 12 Mei.

castellani de Leydis, 1253. apud Leidis, 1229.

datum Leyden, 1254. aput Leithen, 1231.

datum Leyde, 1255. aput Leydis, 1233.

inter Leiden, 1260. burghgrarii de Leydis, 1235.

[ocr errors]

en

Vervolgens wordt tot en met het jaar 1294 in dezelfde oorkondenverzameling de vorm Leiden nog 4 maal aangetroffen, tegen 37 maal Leyden en 1 maal Leydis. Ook op het oude stadszegel van 1290 wordt de spelwijze Leyden gevonden. (Pleyte, Leiden voor 300 jaren en thans, bl. 2) Daarna wordt de schrijfwijze bijna uitsluitend Leyden tot aan onzen tijd.

Dezelfde strijd, welken de Latijnsche i reeds sedert eene halve eeuw voor Christus met de uit Griekenland ingevoerde y te voeren heeft gehad, zien wij dus ook hier weder voortgezet in het Hollandsch, dat tegelijk met de overname van het Latijnsche alfabet ook de verschillende paren van gelijkluidende letterteekens, die zich toenmaals daarin bevonden en bijna onverschillig door elkander gebruikt werden, overnam. Allengs begint de staartige, statige y steeds meer veld te winnen, totdat zij eindelijk ná 1294 de overwinning behaalde.

De volksnitspraak, waarbij de stad genoemd wordt Leien of Leie, heeft wellicht de meest oorspronkelijke uitspraak bewaard. Die uitspraak beantwoordt aan het gelijksoortige verschijnsel, dat wij ook elders in onze taal ontmoeten, wanneer wij uier zeggen voor uider, kruier voor kruider, ooievaar voor oodevaar enz. en doet het besluit trekken, dat de th en de daaruit ontsproten d, tusschen twee klinkers, ná den klemtoon, oudtijds bijzonder zacht, bijna onhoorbaar moet zijn uitgesproken. Uit de aardrijkskundige namen kunnen als voorbeelden daarvoor aangevoerd worden Schouwen, dat in de 13de eeuw geschreven werd Scolden, Scouden, Schalda en ook de volksuitspraak van Muiden, Ouderkerk, Oudewater, Abkoude, Nederhemert, Didam (Diem), Leerdam (van Lederdam) enz.

Dat het oude Lugdunum niet op dezelfde plaats gelegen heeft als het tegenwoordige Leiden en dat dus deze woorden, niettegenstaande de schijnbaar groote overeenkomst, in geenerlei betrekking tot elkander staan, wordt thans, na de krachtige redenen, eerst van Pleyte t. a. p. bl. 2, en van P. J. Blok „Eene Hollandsche stad in de Middeleeuwen" Hoofdst. 1, wel door alle geleerden als zeker aangenomen. Trouwens waar voor tweeof meer duizend jaren eene stad gestaan heeft, daar zullen de onverdelgbare overblijfselen van muren, potscherven, gouden, zilveren of koperen voorwerpen gevonden moeten worden; te Leiden echter zijn nooit zoodanige of zoo vele overblijfselen eener Romeinsche of vóór-Romeinsche stad gevonden, dat zij zelfs eenigszins die opvatting zouden kunnen wettigen. Eerst bij hare verheffing tot akademiestad heeft de stad den doopnaam Lugdunum Batavorum ontvangen.

Aangaande de afleiding, beteekenis en beste schrijfwijze van den naam heeft Prof. M. de Vries, in zijn „Leiden of Leyden? in de Handel. en

« VorigeDoorgaan »