Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Amersfort, ao 1581 (L. Guicciardini, descrittione di tutti i Paesi Bassi).

Amersfoort en Amerfort, in de vertaling van dit werk door Petrus Montanus van 1566 ed. 1648.

Amesfoort (d. i. Emersfoort), Vyerige Colom. Maar Amersfoort op de daarbij behoorende kaartjes.

Amersfoort en 6 regels verder Amersfoord ao 1693 (Commelin, Beschr. v. Amst. bl. 906).

Amersfoort en Aemsfort, ao 1701 (Alting, Not. Germ. inf.) Amersfort (doorgaans) en Amersfoort, ao 1725, Halma Wdb. I, 47.

Amersfoort, oudtijds Hemesfurt; ook Eemfort en Amsfort, ao 1733. Hoogstraten Wdb.

Van Bemmel vermeldt nog den vorm Amistoort, welken hij kan ontleend hebben aan de veele en menigvuldige Registers, Boeken en Brieven op ’t Raadhuis, in de Godshuizen, Collegiën en elders, tot welke hem gunstige vrijheid was verleend", ook om die zelfs te zijnen huize te mogen raadplegen ten gevolge waarvan, zooals bekend is, een zeer groot aantal na zijnen dood verdwenen is en de overoude stad Amersfoort nu geen oud archief bezit.

De tegenwoordige uitspraak van den naam stemt geheel met de spelling overeen.

De afleiding is duidelijk, wat het laatste lid betreft; voord (Angels. ford, oudhoogd: furt) is eene doorwaadbare plaats. Moeilijk en raadselachtig is amers (ames, amer). Naar analogie van Frankfurt, oudtijds Frankono furt, d. i. der Franken voord" of, zooals wij zouden zeggen, voord in 't gebied der Franken" naar analogie van de meeste woorden op dam,

bijv. Amsterdam, d. i. Amstelere-dam „der Amstelomwoners dam, dam in 't gebied der oeverbewoners van den Amstel, mag men verwachten een gen. plur. Ware het Emerfoord, dan zou geen twijfel mogelijk zijn, want Emer zou ontstaan zijn volkomen regelmatig, uit Emewario der Eem-omwoners“, Emi accolarum, even als bijv. Beieren ontstaan is uit Baiuwaro, Canter in Canterbury uit Cantware enz. Jammer dat de oudste ons bekende vorm Emus (minder goed Hemus) is, (ao 777, van Mieris, Chartb. v. Holl. Zeel. en Vr. I, bl. 7, later, ao 1295, wordt ook wel de vorm Ema gevonden, Oorkb. II, 914.) Hoe klinkt die ee? zacht als in nemen, of in steden, of in steenen ? Vermoedelijk is het onderscheid tusschen die klanken te Amersfoort en omstreken uitgewischt. In de onderstelling dat Amers eenvoudig eene verbastering is van Amis, dan zou dit de gen. sing. van een te vooronderstellen Ami, later Eme, Eem, wezen. (Vgl. ook v. d. Bergh, M. N. Geogr. bl. 88.)

en

Analogiën : Breevoort, Lichtenvoorde, Frankfurt, Schweinfurt, Oxford, Coevorden enz.

Afgeleide personennamen zijn: Van Amersfoort, Amersfoordt.

Niet aanbevelenswaardig is eene afleiding van Fort aan den Eem, waarvoor ook de historische gegevens ontbreken, noch van Amor fortis (thans nog de spreuk van het kerkelijke wapen).

RED.

Wolfaartsdijk, dorp en gemeente op Zuid-Beveland. Eertijds was Wolfaartsdijk de naam van een afzonderlijk eiland, gelegen tusschen Noorden Zuid-Beveland, doch sinds, door de bedijking van den Wilhelmina polder in 1809, dit eiland met Zuid-Beveland vereenigd werd, is die naam overgegaan op het daar in aanwezen gebleven dorp Oostkerke. In 1816 werd Wolfaartsdijk als burgerlijke gemeente opgenomen onder die van ZuidBeveland.

Het eiland Wolfaartsdijk is ontstaan uit eene verlanding tusschen de beide reuzenarmen der Schelde, ter plaatse waar de Zuidvliet, de Wijtvliet, het Sloe en de Schenge elkander kruisten. Vermoedelijk bedijkt door eenen Fulfheard of Wolfaert (een Angelsaksische en aloude Zeeuwsche naam, welke reeds sedert de 5de eeuw, zoo niet vroeger, voorkomt, en inzonderheid eigen was aan het eeuwenoude geslacht der heeren van Borsele), zal het naar hem den naam van Wolfaartsdijk bekomen hebben.

Wijl het onzeker, ja zelfs twijfelachtig is, of door de terra Vulfras, vernoemd in eenen brief van A° 961, het eiland Wolfaartsdijk kan verstaan worden, komt het eerst als Wulfardesdike voor in eene oorkonde van Paus Innocentius III, d.d. 5 Febr. 1216 (v. d. Bergh, Oorkb. I. 250); daarna in een charter van Graaf Floris V, van den 29 Mei 1270, waarbij hij eenige, door overlijden aan hem vervallen Officia in Wolfarsdike aan eenen nieuwen leenman opdraagt. Wel is waar wordt reeds ten jare 1105, in eene uitspraak van Burchard, Bisschop van Utrecht, tusschen die van Sliedrecht en Houweninge betreffende hunne kerken, als leenman van den Bisschop vermeld zekere Giselbertus de Wolfgersdike, welke persoon evenwel voorzeker niemand anders was dan Giselbertus van Welle, vrijheer van Cats, Ridder, die in 1123 overleed. De drie ambachtsheerlijkheden: Sabbinge, Oostkerke en Westkerke op het eiland Wolfaartsdijk waren toch reeds vroeg in het bezit van het rijke en adellijke geslacht van van Cats, onder welks afstammelingen die zelfs gedeeltelijk verbleven zijn tot aan de aatste helft der 18de eeuw. Onzes bedunkens bestaat er alzoo geene de

naam

minste reden om de benaming Wolfgersdike af te leiden van eenen uit dien tijd gansch onbekenden Wolfgeer, maar veelmeer om hier te denken aan eene schrijf- of drukfout voor Wolfaersdike, als ontleend aan eenen Wolfaert, welke naam bij het geslacht van van Borsele veelvuldig voorkomt. Zeer opmerkelijk is het toch ook, dat in Borsele (vroeger ook onder den

van Berselre, Brumsale, Brinsilla en Borsale voorkomende, welke benamingen zooveel als Zeebuurt beteekenen), – een der oudste gedeelten van Zeeland, reeds in de 7de eeuw als een afzonderlijk eiland bestaande, en door de Yve in een Beoosten- en Bewesten-Yve gescheiden dat in dit laatstgenoemde westelijke gedeelte van dit eiland Borsele, onder andere plaatsen, even als op het eiland Wolfaartsdijk, ook een Oostkerk, Wolpharsdorp en Westkerk gelegen waren, welke in 1530 overstroomd, in 1531 wel herdijkt, doch in 1532 door de golven gansch verzwolgen werden. En dat op deze thans geheel vergeten dorpen een belangrijke brief van Bisschop Jan IV van Utrecht betrekking heeft, waarbij hij de kapel van Vulborsdorp nabij Oesterkerk, onder het ambacht van Borsele, tot eene parochiekerk verheft, gegeven 29 Oct. 1353, en berustende in het Provinciaal Archief van Zeeland, zal wel voor zeker mogen gehouden worden.

Onze oudste Hollandsche kronykschrijver Melis Stoke, van de watervloeden in den winter van 1287 op 1288 gewag makende, noemt bepaaldelijk Wolfaertsdike en getuigt, dat dit eiland bij den vloe Febr. des laatstgemelden jaars verschoond bleef. Onder dien naam komt dit eiland vervolgens ook voor : in een charter van 12 Juni 1290, als Wifardsdiic en Wlfardsdic; in een verdrag tusschen Guido, Graaf van Vlaanderen en Jan I, Graaf

van Holland, ao 1298, als Wolfaersdike; in een charter van 28 Maart 1298, als Wulpharsdiic; in een verdrag van 11 Febr. 1299, als Wolfaerddike; in een charter van 17 Augustus 1310, als Wolphartsdyck; in een testament, d.d. 10 Nov. 1316, van Pieter van Leyden, Kanunnik

van St. Pieters te Utrecht, als Wolfaertsdycke; in eene rekening der Grafelijkheid van Zeeland, ao 1318/19, als: Wol

fardsdike, Wolferdsdike, Wolfaerdsdike en Wolfaertsdike; in eene dito, ao 1330/31, als Wulferdsdyc; in eene dito, ao 1331/33, als Wulfardsdyc en Wolfaerdsdyc; in eene Burgemeesters-rekening van Middelburg, ao1364/65, als Wolfaerdyc; in een charter van 18 October 1389 als Wolfairtsdyc; in eene acte van 3) November 1393, als Wolfaertsdyc; in een charter van 22 Juni 1407, als Wolfartsdyc;

van 5

in een charter van 21 Augustus 1416, als Wolfertsdyck; in eene polder-rekening, ao 1519/1520, als Wolfaertsdyck, Wolfersdyck

en Wolfairsdyck; in een acte van 9 December 1520, als Wolfaersdyck.

De spelling van Wolfaertsdyck gaat sinds het jaar 1600 allengs over in die van Wolphaartsdyk, waaruit ook soms de t wordt weggelaten.

Van Gouvernementswege blijft de schrijfwijze van Wolphaartsdyk nog steeds in gebruik, ofschoon in de laatste jaren, zoowel door het gewestelijk als door het Gemeentebestuur, de ph door | vervangen wordt. Wolfaartsdijk.

J. VAN DER BAAN.

Serooskerke, naam van eene heerlijkheid, eene gemeente en een dorp op het eiland Walcheren in Zeeland. De gemeente wordt omsloten door de gemeenten St. Laurens, Grijpskerke, Oostkapelle en Vrouwenpolder. Het dorp ligt ten N. van Middelburg en ten W. van Vere.

De oudste vorm, waaronder de naam voorkomt, is Alarthskintskirke, dus kerk, gesticht door het kind van een zekeren Alard of Alardus, van wiens familie overigens niets met zekerheid bekend is, en is te vinden in een charter van het jaar 1196 of 1197. Uit dezen vorm heeft zich in den loop der eeuwen de tegenwoordige ontwikkeld. De naam van het geslacht van Tuyll van Serooskerke heeft met dien van onze heerlijkheid niets te maken, daar die is afgeleid van Serooskerke in Schouwen. Waar is 't evenwel, dat de heeren van Tuyll van Serooskerke de heerlijkheid S. in Walcheren door koop in bezit hebben gehad van ongeveer 1567 tot 1684. Zie de Steenrollen van de Grafelijkheid van Zeeland. Vgl. Zelandia Illustrata Dl. I, pag. 745 en W. te Water in Archief, mededeelingen over Zeeland, Dl. I, St. IV, p. 41.

De verschillende vormen, waaronder de naam voorkomt, zijn :

Alarthskintskirke of Alardskindskerke in de jaren 1196 of 1197, 1247, 1248 en 1249. L. P. C. van den Bergh, Oorkb. van Holl. en Zeel. Dl. I, nos. 175, 436, 464 en 488.

Ecclesia Alardi in 1230, 1232, 1248, 1251 en 1261, v. d. Bergh, t. a. p. Dl. I, nos. 323, 338, 453 en 542; Dl. II, no. 71, J. P. van Visvliet, Inventaris van het Oud Archief van Zeeland, Di. III, no. 24.

Alardskerke in 1246, 1248 en 1271, v. d. Bergh, t. a. p., Dl. I, nos. 422 en 453; DI. II, no. 101 en 215. Van Visvliet, t. a. p. Dl. III, nos. 42 en 80. Id. in Archief, Dl. I, St. IV, p. 1.

Alaerskerke in 1247, v. d. Bergh, t. a. p. Dl. I, no. 437.

s (er?) Allartskerke in 1336. Van Mieris, Charterb. v Holl., Zeel. en Vriesl., Dl. II, p. 585.

Alardskerc, Alertskerc, Alaerdskercke, Alardskerke in de Bederekeningen van 1318 tot 1366.

S. Alaerdskerke, in de Bederek. van 1396 tot 1370.

Tsheralaerds-, Tseralaerts-, Tseraelaerts-, Tseraellaerds-, Tseralairdskerke in de Bederek. van 1372 tot 1413.

Tserolaerds-, Tserolairts-, Tseroelaerts-, Tsheerolaerts-, Tserolartskerke in de Bederek. van 1414 tot 1438.

Tseroirtskercke, Tseroertskercke, in de Bederek. van 1439 tot 1564.

Seroeskerke, Seroiskercke, Tseroiskercke, Tseroeskercke in de Bederek. van 1565 tot 1569.

Serooskercke en later Serooskerke in de Steenrollen van af het jaar 1569. Uit het bovenstaande blijkt, dat het woord kind reeds spoedig

ongeveer tegen het midden der 13e eeuw uit Alardskindskerke is verdwenen, terwijl het in Klaaskinderkerke en andere plaatsnamen zich heeft staande gehouden; dat de verkorte vorm Alardskerk gebruikt is tot in de 2e helft der 14e eeuw, en dat daarna de naam geworden is 's HeerAlardskerk, welke vorm zich, herhaaldelijk gewijzigd, tot op dezen dag heeft gehandhaafd in Serooskerke.

De beteekenis van dezen naam is dus duidelijk. We voegen er nog bij, dat bij het uitspreken van het eerste gedeelte van het woord de klemtoon op de tweede lettergreep dient te worden gelegd, dus niet Séroos-, zooals dikwijls wordt gezegd, maar Seróós-. Ook de volksuitspraak is Straas- of Straskerke, waarin de eerste lettergreep van S., na invoeging eener t, met de tweede is samengesmolten.

Minder gemakkelijk is het, den naamsoorsprong van Serooskerke in Schouwen in bijzonderheden na te gaan. In de Bederekeningen worden de beden in den regel over de heerlijkheden en ambachten omgeslagen, doch Serooskerke komt daarin niet als afzonderlijke heerlijkheid voor. Immers blijkens Bederekening van 1350 bestond Schouwen in de 14e eeuw uit de volgende heerlijkheden : 1. Quaelambacht; 2. Zestendeel van Zuut

3. Zestendeel van Kercwuerve: a. Kercwaerve, b. Tserreingaerskercke, c. Nieuwekercke, d. Duvendyck; 4. Zestendeel van Bridorpe: a, Bridorpe, b. Elgerzee, c. Ellemeet; 5. Zestendeel van Haemsteden : a. Oestambacht van Welland, b. Capelle, c. Zegambacht, d. Westambacht van Welland, e. Armoederhoeck, f. Oestambacht van Haemsteden, g. Westambacht van

;

land;

« VorigeDoorgaan »