Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Aalst, dorp in de Bommelerwaard, prov. Gelderland, te onderscheiden van Aalst bij Eindhoven. Ao 814 Halosta, (Sloet 27).

980 Alisti en Alaste, (Ald. 110).

1205 Halst, (Arch. v. B., Allod. Bern., oorspr.). Omstr. 1300 en later. Aelst, (Arch. v. B.).

Abkoude of Abcoude, dorp in het Nederkwartier der prov. Utrecht.
A° 1273 N. de Apekerwolde, (Sloet 947).
Omstr. 1280 Apekewoude, ( !!

972). A 1370

Heer van Apcoude, (Arch. v. B., oorspr.). 1397 Voor de afleiding en beteekenis zie Nom. Geogr. Neerl. I. bl. 30.

Almkerk, dorp in het land van Altena, prov. Noord-Brabant.
Ao 1370 Ecclesia de Almekerke, (Arch. v. B., oorspr.).

1372
1376

Almkerc, (Arch. v. B., oorspr.).
1386
1409

[Volgens den geachten schrijver dezes, die, in navolging van van der Aa en Schutjes, te veel vertrouwen geschonken heeft aan de uitspraak van J. Smits (over den inbraak van de Groote Zuid-Hollandsche Waard op den 18den Nov. 1421, Dordr. 1822), zoude de rivier de Alm, waarvan Almkerk zijnen naam ontleent, oudtijds ook Eem genoemd zijn geworden en zelfs Almkerck (volgens Schutjes) ook Eemkerck geheeten hebben

De taalkundige bedenkingen, die hiertegen kunnen gemaakt worden, zullen wij in het midden laten, daar uit de oorkonden het tegendeel voldoende kan worden bewezen.

De naam Alm wordt gelijktijdig met dien van Eem in de charters gevonden, doch zonder dat er, zooals men mocht verwachten, eenige de minste melding gemaakt wordt, dat deze twee namen aan ééne rivier gegeven worden. Dij de groote onbekendheid met den juisten toestand der streek vóór 1421, toen zij door de golven verzwolgen werd, is het noodig de bewoordingen der oorkondlen, waar deze betrekking hebben op dit onderwerp, eenigszins volledig liier optegeven.

Ao 1256 of 58, (aangaande de tienden van het kapittel van St. Pieter te Utr.), decimam nostram in Eme sitam. Okb. v. H. & Z. II, 44.

1258: decimam nostram secus fluvium qui dicitur Alme, Okb. II, 46.

[ocr errors]

1267: S. Petri decimam secus fluvium qui dicitur Alme, Okb. II, 161.

1275 : (over het overnemen van het land Papenhove) sacerdotem quemcunque ecclcsiae de Eme. Okb. II. 300.

Ao. 1290: die thien de die leget in Vorenzaterwaert ende die men hout van den here van Althena gedeilt mitten Bot van der Eem ... ende aen die thiende die leghet aen die corte zide van der Eme, .

ende aen die thiende die leghet boven Enedamme aen die lange zide, ende die men hout van de voorseide heren van Sinte Pieters van Utrecht in denselven pacht als voirs. is; ende aen die thiende die leghet aen die lange zide van der Eme tusschen Blocshalsbrugge ende Emekerek, gemeen mitten Bot van der Eeme ... Ende aen die thiende die leghet aen die Wtalme van Aelmonde upwairt in Botsambocht van der Eme, .. Ende aen XLVIII margen lants die leggen boven Emedamme aen die lange zide Okb. II. 750. A'. 1293: decimam nostram sitam apud Emam. Okb. II, 914.

1296: dien tiende die leget in Vorensaterwart, die men hout van den here van Outena gedeilt metten Bot van der Eme... enz., verder ongeveer gelijkluidend aan de bovenvermelde oork. van 1290. Okb. II, 932.

4°. 1298: decimam spectantem ad preposituram ecclesie nostre sitam secus fluvium qui dicitur Alme,

A'. 1386: ter Almen waert (Arch. v. B. oorspr.)

Vooral wordt het duidelijk bewezen, dat de Alm en de Eem twee af. zonderlijke waters zijn geweest, uit de volgende oorkonde, ons welwillend medegedeeld door den Heer J. H. Hingman, uit het Rijksarchief, Memoriale B H 1.404-1406 fol. 60:

„Upten vijfden dach in Februario anno 1405 sec. cursum Curiae (1 406) heeft myn genadigen heere geoirloft ende geconsenteert heeren Otte van der Leck dat hi eenen welgeboren man tot eenen gewairden rechter setten sal mogen in sinen ambochten ander Eem ende ander Alm, die rechts van synre wege plegen ende doen sal toter hoger vierschair van Zuyt Hollant ende anders dair der te doen sal wesen, geliken ende in alre manieren of hiit selve wair, duerende tot myns heren wederseggen."

Wanneer men de hierboven medegedeelde stukken, waarin de Eem voorkomt, leest en bepaaldelijk dat van 1290, dan komt het zeer waarschijnlijk voor, dat de Eem een noordelijk zijriviertje geweest is, dat zich omtrent Eemkerck met de Alm vereenigd heeft en wel, blijkens de woorden yende die thiende die leghet boven Emedamme“, bij hare vereeniging met de Alm afgedamd, d. i. met eene sluis voorzien was.

De naam Eemde, die bij v. d. Aa en Witkamp genoemd wordt, is ner

gens elders te vinden. Noch in het Oorkondenboek van H. en Z. noch in de Registers op de Graaflijke Oorkonden wordt die aangetroffen.

Aangaande Almkerk en Eemkerk hebben wij niet minder goede bewijzen in de getuigenissen aangehaald door den Heer J. H. Hingman, op bl. 28 van zijn geschrift: de Maas en de dijken van de Zuid Hollandsche waard in 1421. 's Grav. 1885. De navolgende verklaring onder eede wordt den 24sten Juni 1521 door Willem Janse van Sinte Geertruidenberge afgelegd :

Seyt dat die Alm plach te loopen van Almkerck ande suytzyde in de Maze tusschen Eemkerck ande Almsvoet aan de zuytzyde van Almsteyn henen. Seyt dat upte Alm plegen te leggen dese dorpen. Eerst Almkerck, noortwerts de Upalm ende lach aen de noordzijde van den Alm, daer beneden die Nederalm daer noch een groet rugge van steen leyt ende is genoemt Almsteyn, daernae compt Eemkerck ende comt ten halver wege nae 'Almsvoet in de Maze".

De verdere aldaar aangehaalde getuigenissen van andere personen, die deze verklaring bevestigen, gaan wij als voor ons doel thans niet meer noodig voorbij.

De naam Almkerk komt niet voor in het Okb. v. H. & Z. Wel de na· men Emekerke, Emekerck en Emekercke op de jaren 1216, 1275, 1290 en 1296.

Eemsteyn was een klooster, gesticht, volgens een brief van hertog Aelbrecht, voorkomende in Liber IV Aelbrecht, fol. 175 ,die festivitatis beati martini ep. et presb. 137711, door Reynaldus Minnenbodus en zijne

vrouw Sophia „monasterium fratrum minorum" en verder in loco dicto Eemkerc. De naam Eemsteyn komt nog later eenige malen voor in de Oorkonden van het Archief van Berne, van de jaren 1469 tot aan 1548. Op de kaart van den Heer Hingman ligt het op eenigen afstand ten N.W. van Almsteyn.

Almsteyn was in oude tijden een slot, liggende in het ambacht van Eem of Eemkerck, zooals blijkt uit eene verklaring voorkomende in het verbaal van 1521-1523, 27 Juni 1521 no. 22: ,Zeyt voirt dat Almsteyn in voortijden bij staende lande geweest is een slot toebehoorende den heer van Heel (Hedel) enz. Zie ook v. Leeuwen Bat. illustr. p. 1212. Vroeger dan 1521 schijnt de naam niet vermeld te zijn; noch in het Okb. noch in de Graaflijke registers, zoals de Heer Hingman ons meedeelt, komt die voor.

RED.]

Alphen, dorpje in Maas-Waal, prov. Gelderland, aan de Maas, te

onderscheiden van de gelijknamige plaatsen in Noord-Brabant en in ZuidHolland.

A° 1196 Walterus Alf, (in het oorspr. diploma van Albert v. Dinther Arch. v. B.).

Omstr. 1205 Alf(?), (Allod. Bern.).
XIII eeuw' nu eens Alfen, dan wederom Alphen, (Binterim u. M.)
Omstr. 1300 Alfen, (Arch. v. B., oorspr.).

Altforst, ook een dorpje in Maas - Waal, niet ver van het voorgaande gelegen.

A° 1134 Altfurse, (oorspr. stichtingsoork. der Abdij van B.).

Miraeus, en anderen na hem, hebben hier geschreven : All furge, (vgl. Sloet 266).

Omstr. 1205 Altfursche, (Allod. Bern.).
A° 1242 G. de Altvorsh, (Sloet 631).

1308 Autforshe (Arch. v. B., oorspr.).

1314 Plebanus de Autvorsce, (Ald.) Vóór en omstr. 1300 Altforst en Altvorst, (Binterim u. M.). A° 1316. Altforth, (Ald.).

1345. Altfors en Altforgher weijden, (Oorspr. br. van Richter tusschen Maas en Waal. Arch. v. B.. A• 1367. Audforst, (Schepenbr. van Nijmegen, copie).

1600 en later Altforst, (Arch. v. B., oorspr.). In de wandeling hoort men het gewoonlijk Oudworst of - wat moeilijk te onderscheiden is Oud forst noemen.

Aan vorst hecht men de beteekenis van woud of bosch, forét. Vanhier ook het oude Vorster. Ook Vorst bij Brussel was Forestum ; en verder las men: Abbatissa Forestana enz. De beteekenis is hier dus: Oud bosch of woud.

Ammersooi, dorp in de Bommelerwaard, prov. Gelderland.
Omstr. 1196. Ambershoye, (Arch. v. B., oorspr.).

.
1200. Ambersoye, (Arch. v. B., oorspr.).
A. 1250. miles de Ambersove, (Arch. v. B., oorspr.).

1337. tusschen Jan Amersoyens, aen die een zide, (Arch. v. B., oorspr.). Ao 1365. Ammerzoijen, (Arch. v. B. copie).

1491. scepen in Amersoyen, (Arch. v. B., oorspr.).
1499.

Amersoeyen, (Arch. v. B., oorspr.).

Omstr. 1560. Amelroije en Ameroijen, (Arch. v. B. oorspr.).

Ao 1617 teekent de heer van A. zijn eigenhandigen brief: „Uut Ammerroden. Ottho van Arkell, vrijheer tzo Ammerroden,(Arch. v. B., oorspr.).

Hier hebben wij voor het eerst roden. En ofschoon de brief den Duitscher verraadt en daarom minder te vertrouwen is, als kunnende niet wel oordeelen over de beste speiling, mogen wij er toch uit opmaken. dat het toen reeds zóó of bijna zóó werd uitgesproken.

Ao 1618. Ammersoijde, (Arch. van B., oorspr.).

Dit laatste schrijven de Regeerders van Heusden, en wel in een brief die dezelfde quaestie betrof, waarover het ging in dien van 0. van Arkell. Dit is voorzeker een goede bron.

Hier is nog geen rode, maar wij zien toch de d weer verschijnen.

Ao 1620 vinden wij : ,,totte Ammeroitse stege," geschreven door den rentmeester van Berne.

Hier is weer de 1, maar de d is in t veranderd.

Uit een en ander blijkt o. i. genoeg, dat toen de grootste verandering heeft plaats gehad.

Jac. v. Oudenhoven, in zijne beschrijving van 's Hertogenbosch, in 1670 uitgegeven, schrijft nog: Amersoijen.

er

Den uitgang op roij, als ware het een rode, ontmoeten wij voor het eerst op het einde der XVI eeuw. Waaruit men veilig mag besluiten, dat men hier niet te doen heeft met een eigenlijk roij of rode, maar dat

een verwarring en afwijking van den waren naam heeft plaats gehad. Ook strookt de beteekenis van een sartum lang zoo goed niet met de ligging van het dorp, als die van Oij of Oijen, zooals wij aanstonds zullen zien.

De uitgang zoden, welken wij zelfs in de XVII eeuw nog niet ontmoeten, tenzij men soijde, in 1618 voorkomende, daarvoor wil aanzien

steunt misschien op het gevoelen, dat het laatste lid van dezen samengestelden naam is : soijen = coden, en niet oije of oijen.

Al had men geen anderen grond om dit te wederleggen, dan dat de naam Oij, Ooij, Oijen zoo veelvuldig voorkomt, terwijl Zoden, Soijen, Sveijen of iets dergelijks, voor zoover wij weten, niet voorkomt, dan zou dit nog haast voldoende zijn. Maar ook

1o. de oude spelling tot minstens de XVI eeuw, 2o. de ligging van het dorp, namelijk aan uitgestrekte weiden langs de

Maas, en

« VorigeDoorgaan »