Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

vindt men de namen Tbrente en Threnta, evenals in het voorgaande stuk. Uit deze namen blijkt dat het schrijven cener in den provincienaam Drente eene wanspelling is.

Strilant, het welk ook in het Liber pilosus van St. Marie eenige malen genoemd wordt, komt daar voor tusschen Utrechtsche plaatsen. Op blz. 479 (waarbij in margine 1222 staat) b. v.: Upraven, bi Covellaersbrugghe Jutfaes, aan den Ouden Rijn, op die hogheweide, op Strilant op Heyencoep ende Galencoep, Bijlevelt, Reijnerscoep ende Meern enz. In den index er voor staat XXXII item littera de strilant, incipit: decanus; op blz. 32 vindt men melding gemaakt van de verpachting van de landerijen in Strilant aan Gerardus de Vorne miles, die daarvoor 3 mod. tritici zal opbrengen. Nu woonden ,,milites de Vorne" in de heerlijkheid Strilant aan den ouden Rijn bij Utrecht. De grenzen dezer heerlijkheid worden aangegeven in de manualen der kleine kamer van St. Marie te Utrecht.

De bona in Velua iacentia zijn in : Selehurst, Apeldern, Uone, Apede en Arthe.

Hiervan behooren de drie eerste met het hier niet vermelde Riplikhof tot de vier sedelhoven in de Veluwe, aan het kapittel van St. Marie behoorende, die in 1255 door graaf Otto van Gelre vrij van lasten werden verklaard (zie Liber pilosus p. 35).

In een lijst, Lib. pil. 27—30, welke volgens de mededeeling van Sloet (Oorkb. p. 765), na 1339 moet opgemaakt zijn, komen zij voor met andere hoeven:

„Dit siin der heren tyenden van Sunte Marien tot Utrecht, up Veluen: In tierst Weneme, Apeldoren, Noert apeldoren, Velchuse, Broechusen, Sprenkelaar, Huscamp, Lankelaer, Holthues, Buerlo, Noenscoet, Telghet, Swerde, Tonsele.

Dit sint der heren setelhove op Veluen :
In 't ierst Zeelhorst, Apeldoren, Une, Riplichove.

Apeldoren die hof, die pacht te Zeelhorst in Remigü XVI mod. silig. Herderwiker mate ende welic mensche in den hof sit, de is wastensich den heren.

Une de hof, die ghevet die derde gharve van allen dattet bouwet ende is wastensich.

Replichove dat ghevet X mod. silig ende XXV mod. ordei, Deventersche mate ende dit zaet levert men te Deventer op dat water ende is een Zutfens leen.

Tot Epe ghevet pacht
in Campvelde hier volgen eige vnamen.
in Hyerde

11

Dit is die Tins die te Zeelhorst incoemt: enz.
Tot Apeldoren daer horet een goet, heet Hosevelt.
In Swolre kerspel:
in Wilsen:

volgen persoonsnamen. bi der Ysele:

Van deze plaatsen is Selehurst een goed bij Harderwijk, waaronder ook ook de Schuurhoff hoorde, gelegen onder Ermelo, zoo als blijkt uit eene acte d. d. 1370 in het Liber pilosus, waarbij aan Jacob Tydeman verleend wordt: odat goet gheheten scuerhof, zeelhorstcamp, haghecamp, hoyecamp op ryede een lot in Ermeloehout, mit allen horen toebehoren..... gheleghen in den kerspel van Ermel ..... die pacht te gheven in den hof tot Zeelhorst.

Het oudste stuk, waarin deze naam voorkomt, is het bovenstaande uit de 12de eeuw: Selehurst. Dan volgt Sloet Oork. 6.721 : d. d. 1 250 Selhurst no. 778, d. d. 1255 Selhurst, no. 854, d. d. 1262 Zelhurst en eindelijk in de 14de eeuw Zeelhorst.

Het is een van de talrijke samenstellingen van het woord horst (waarover Kern N. G. N. II, 10); het eerste woord is het oudgermaansche sali d. i. huis, kasteel. Een kasteel van denzelfden naam wordt genoemd door Lacomblet Archief II, 227, 8de eeuw. Dit was in Westfalen gelegen.

Apeldoorn bestond uit de plaats zelve en den hof, die in het liber pilosus blz. 214 (14de eeuw) den hof tot Apelderhave genoemd wordt. Het is een datiefvorm van den nominatief Apeldro (volgens Bondam I. 7 Apoldro), voorkomend in een charter van 793 of 794 (Sl. Okb. 13), waar sprake is van villa vel marca Apeldro. In volgorde van tijd komt dan de hierboven genoemde vorm Apeldern; in 1253 vindt men reeds den vorm Apeldoren (Sl. Okb. 752), dat in 1228 en 1255 wederom opnieuw verbogen in den datief Apeldorne (Sl. Okb. 517 en 778) voorkomt.

Men heeft in dit woord eene samenstelling gezien van apel, een bijvorm van appel, met een vorm van het subst. tere (booin). Zeer veel is hiertegen aan te voeren. Met meer grond mag men in het laatste lid een afleidings suffix zien. In villa Apeldro is waarschijnlijk een datief van apelder; evenals ags. Apuldre, thans Appledore, een datief is van apulder (appelboom). In het Hoogduitsch staat naast apholter een fem. affoltera ; dit wordt verbogen in dat. affoltrum. Bestond er in het Nederl. een fem. apeldra dan zou de datief hiervan apeldron moeten luiden. Hieruit konden zich in verloop van tijd vormen als apelderon en apeldern 1) ontwikkelen. Ver

1) Met den vorm apeldern is het Agsaksisch Mapuldern (Reubenii Gloss. 46) a place where there are maple-trees (Bosworth) te vergelijken.

gelijkt men hiermede de bovenstaande vormen van Apeldoorn dan ziet men dat het datiefvormen zijn, apeldro van het manlijke, de andere van het vrouwelijk woord. Andere nederduitsche boom- of plantnamen met ditzelfde achtervoegsel gevormd zijn : manl. holondar (Prud. gl. 126) hollender (saks. medicynboek hs. Utrecht 414) wakelder, spakelder en vrouwl. gesl. ramesdra (Diut. III, 244) lupine en mapuldre. Wellicht is ook vleder, ndl. vlier, nbd. flieder bij deze te voegen.

Apelderhave is de Appelaarshoeve, zooals men in Zuid-Nederland zoude zeggen. Of dit apelder uit apeldre een genit. pl. m. of nom. sing. fem. is, is niet te zeggen. Samenstellingen met appel komen op de Veluwe meer voor, 2000. a. bij Elburg. In 1333, 12 dec. wordt vanwege het kapittel van St. Marie aan Herbertus Koning en Gherard Bessinc oppidanis in Elborch gegeven een »pratum, nunc vulgariter dictum Appelrelo, d. i. het appelaarsbosch.

Omtrent Uone of, zooals thans, Oene valt niet veel te melden. Het eerst wordt, zoover mij bekend, de naam vermeld in het privilegieboek der stad Hattem, d. d. 1176, waar sprake is van eene capella de Fassen en eene capella de Unen, welke naam verder geene verandering onder

gaan heeft.

Replikhof wordt in bovenstaande opsomming niet genoemd onder de goederen van St. Marie; in 1255 wordt het onder de Sedelhoven vermeld en in 1339 staat het op de lijst der goederen; het is dus tusschen 1193 of 1200 en 1255 aan het kapittel gekomen.

Arthe was eene buurschap onder Wilp in Gelderland), in 1257 (SI. Okb. 801) voorkomende onder den naam van Arde, in 1275 (Sl. Okb. 961) als : in parochia de Wilpe, in villa, que Arde dicitur.

Omtrent de ligging en den tegenwoordigen naam van Apede heb ik niets kunnen vinden; bij Doornspijk ligt een Aperlo; of beide namen in verband met elkaar staan, is onzeker.

Utrecht.

J. H. GALLÉE.

De Lauwers; en de Lauwerszee.

Het water van dien naam ligt op de grenzen van Friesland en Groningen, en was eeuwen lang de grensscheiding tusschen Friesche volksstammen. Reeds de Lex Frisionum uit de eerste helft der middeleeuwen spreekt van strans

Laubaci", en van inter Laubachi et Flehum". Het riviertje ontspringt in de venen en stortte zich vroeger in de Ee bij Ezum(azijl).

Vooral van de VII)e tot in de XIIIe eeuw overstroomt de Noordzee de omliggende landen, en verwijdt zich de mond tot een zeeboezem, nog onder den naam van Lauwerszee bekend, al is zijn gebied ook ingekrompen door gestadige indijking; vgl. Mr. Andreæ, De Lauwerszee (1881) met kaart; en Kollumerland en Nieuw-Kruisland (1883).

Lauwers is niet de oorspronkelijke naam, deze luidde eeuwen geleden eenigszins anders dan de hedendaagsche. Eenige der oudere vormen volgen hier; waarvan sommige ook opgeteekend zijn in von Richthofens Untersuchungen zur Friesische Rechtsgeschichte II, 102 vv.

De Lex Frisionum, welke von Richthofen tot de helft der VIIIe eeuw brengt, de Geer echter in de IXe, of begin der Xe stelt, geeft van dit woord de vormen Laubachi (acc.), Laubaci (acc.) en Laubacum (acc.), de laatste met den Latijnschen uitgang. De plaatsen zijn door von Richthofen aangeteekend in Index Verborum Fris." achter zijne uitgave der Lex Fris. (herdruk 1866 in de Werken van het Fr. Gen., p. 164).

Uit de IXe eeuw geeft de Vita Gregorii Episc. Traject. cap. 10 door S. Liudger beschreven : »usque in ripam occidentalem fluminis quod dicitur Lagbeki”. Acta SS. Bolland. 25 Aug.

De Vita Willebadi auctore Anskario, uit denzelfden tijd, deelt mede dat Willehadus »transivit flumen Loveke”, c. 3, Mon. Germ. II, 380.

Terwijl de Vita S. Liudgeri door Altfrid uit dezelfde eeuw, cap. 19 op het jaar 785 verhaalt: Karolus constituit Liudgerum doctorem in gente Fresonum ab orientali parte fluminis Labeki...,” Mon. Germ. II, 410.

Bij een oorkonde van den 18 Jan. 1040 bevestigt Hendrik III het klooster werden in het bezit van: vquicquid de eorum praedio est inter Emese et Laveke", bij Heda p. 121.

De Gesta episcoporum Trajectensium (Mon. Germ. XXIII, 422), welke als Anonymus de rebus Ultraj. door Matthaeus (1740, ald. p. 37) werd uitgegeven, spreekt bij het jaar 1230 over: »pars Frisiae a Bornedo usque ad Lavicam.”

Emo, abt van Wittewierum in Fivelgo, noemt de Friezen bewesten de Lauwers: Trans Lavicenses”, hun land heet bij hem A°. 1224, 1231 : ploca trans Lavicam; evenzoo Ao. 1234: Mota (est) gens. usque ad Lavicam”, terwijl de Continuator Menconis A°. 1287: »usque ad Laycam" en »a Layca” schrijft.

In Friesche en Hollandsche stukken ontmoet men in het eind der XIVe

en

en in de XVe eeuw de vormen Lauwerze 1), Lauwersche 2), Lauwers(e) 3). Stoke III, vs. 573 spreekt van het Land beosten Heidinzee toter Lavecen.

Uit de oudste vormen blijkt de beteekenis van den naam. Het eerste lid lau- is identiek met het Ohd. laoh, lõh, Mhd. loch, lo, Ags. lea(h), leag, waarover in de Nom. Geogr. Neerl. I. p. 155 gehandeld is. Dit woord heeft den zin van bosch. Oudgermaansche au werd in de meeste Friesche dialecten, zeker in het Westerlauwersch, tot å , zoo: âge vgl. Got. augo, are naast Got. auso; in het Ags. eage, eare.

Zoo ook = Ags. lea. De h, welke oorspronkelijke eindklank was, is dus in het Friesch vroeg weggevallen (vgl. Ags. lea , Thorpe’s Diplom. p. 109, 292].

Eens, in de Vita Gregorii, leest men den vorm Lag“, welke met den Ags. leage te vergelijken is, en die verklaard werd in Nom. Geogr. Neerl. I, 158, waar tevens plaatsen staan aangevoerd.

De vormen op-ca(m), welke in Latijnsche teksten worden gevonden, leveren het bewijs dat de schrijvers vreemde woorden van Latijnsche uitgangen voorzagen, wat zij evenzeer deden met Astergo en Westergo: schrijvers in de kerktaal maken daarbij genitivi als Asterginis, Westerginis (vgl. margo, -inis).

Het tweede lid is bac(h)i, waar ch naast de c ongetwijfeld de k, niet de Hollandsche ch voorstelt, en te vergelijken is met gh naast g 4).

Dit is het Ohd. bah, Mhd. bach, naast Osaks. beki. In het Gotisch zou het baki luiden, indien het daar voorkwam.

In het Friesch werd de tusschen vocalen staande b tot v 5). Verder ging deze v, althans in het Westerlauwersch dialect in w over. Vóór eene dergelijke w ontwikkelde zich — blijkens scriowa, grieuwa uit scriwa (schrijven), en grewa (graaf) eene o, u. Uit Labeki is dan regelmatig * Lauweke geworden.

Eene andere eigenaardigheid, ook van het Friesch , is om de k vóór e, i in den palataal tsj te doen overgaan. Deze klank verzwakt spoedig tot ts: 200 uit Sneke, *Snetsje, * Snitsje, Snits. En bleef de ts in dit laatste woord,

1) Ao. 1402, Driessen IV. 834. Ao. 1405, ibid. IV. 835. Ao. 1420, Schw. I, 424. Ao. 1421, ibid. 451.

2) Ao. 1427, Idsinga, Staatsrecht II. 345; Friedländer, Ostfr. Urkundenbuch II, 333. 3) Ao. 1399, Driessen III, 510. Ao. 1411, Schw. I 373.

4) Ook in oude IJslandsche HSS. komt de schrijfwijze ch voor k voor. A digraph ch = k is at times found in MSS., as michill = mikill etc.” (Cleasby and Vigfusson Icel.. Engl. Dictionary p. 92).

5) Vgl. Mnl. odevare, ooievaar, voor odebare.

« VorigeDoorgaan »