Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

der anderen in den naam Zutphen (dat is: zuid-fenne), (vergl. Nom. geogr. Neerl. II, bl. 30) en ook in dien van het gehucht

Fenneburen, en niet Venneburen, by Langedijk in Stellingwerf. Zoo ook Frisburon, by Balk in Gaasterland, en niet Vrisburen.

Gratingaburen, een gehucht by Harlingen gelegen, maar onder Midlum in Franekeradeel behoorende, draagt zynen naam ook als Grettingaburen, en, in den gewonen frieschen ingekorten form, ook als Gretniabur, dat men in de vorige eeu ook wel als Graetniabuur schreef. Op taalkundige gronden heeft de eerst aangegevene spelwyze de voorkeur.

Juwsmaburen, zoo heet een gehucht by den dorpe Hallum in Ferwerderadeel, en het draagt dien naam naar de oud-friesche maagschap Juwsma, die zekerlik oudtijds hier eene state bezeten heeft, gelijk er ook andere Juwsma- on Jousma-staten in deze grieteny en in de naburige, Leeuwarderadeel, bestaan hebben, en ten deele nog bestaan. De naam van Juwsmaburen wordt tegenwoordig dikwijls als Jousmaburen geschreven, en zelfs wel als Jousumburen en Jouwsumburen. De schrijfwyze Jousmaburen dankt haar ontstaan aan de uitspraak der Friesen, die ook de oude mansvóórnaam Juw, welke aan den geslachtsnaam Juwsma ten grondslag ligt, als Jou uitspreken, en, hem tegenwoordig gemeenlik ook als Jou en vooral in verkleinform als Jouke schryvende, nog vry algemeen in gebruik hebben behouden als mansvóórnaam, en in den form Joukje als vrouenaam. De nieuerwetsche, verhollandschte spelwyze van den naam des gehuchts, als Jousmaburen is dan ook geenszins af te keuren. Maar Jousumburen, ontstaan door verknoeiing, ten einde der tonge in het spreken meer gemak te geven, en vooral Jouwsumburen is zeer zeker verkeerd. Hiermede is dus vervallen wat in deel I, op bladzyde 42, aangegeven is.

De naam Sibrandaburen, die zoowel eigen is aan een dorp in Rauwer. derhem, als aan een gehucht by Bolsward in Wonseradeel, wordt ook als Sybrandaburen, Sibrandeburen, Sybrandeburen , ja zelfs als Sijbrandeburen geschreven. Den zelfden oud-germaanschen mansnaam Sibrand, Sigbrand, die aan dezen plaatsnaam ten grondslag ligt, vinden we terug in den naam van het dorp Sibrandahuis in Dantumadeel, en in dien van het gehucht Sibrandahuis by den dorpe Wetsens in Dongeradeel. Tevens ook in menigen geslachtsnaam, Sybranda, Sybrandi, Sybrands, Siebrands en + Sibrandesma. Ook is hy nog als mansvóórnaam by de Friesen in volle gebruik. Waarom de spelling Sibrandaburen en Sibrandahuis de beste, en Sybrandaburen en Sybrandahuis ook nog goed is, maar Sijbrandaburen en -huis, met Sibrandeburen en -huis af te keuren is, vindt men op bladzyden 162 en 165 reeds aangegeven by de namen Winaldum en Sibaldaburen.

De naam Vischburen, eigen aan een gehucht by Tonnaard in Dongeradeel, en waarschijnlik ontleend aan de visschers die daar oudtijds aan den zeedijk gewoond hebben (of nog wonen ?), komt tegenwoordig ook dikwijls als Vischbuurt voor, op hollandsche wijze. Er is geene reden voor eene uitzondering in deze zaak, van de andere friesche burnamen; dies geef ik, om der eenformigheid wille, de voorkeur aan den ouden naamsform, die ook nog veelvuldig in gebruik is.

Daar is nog een burnaam in Friesland, die eene ryke verscheidenheid van spelwyzen aanbiedt. Het is de naam Sienserburen, eigen aan een gehucht by den dorpe Roordabuisum in Idaarderadeel, en die my, onder anderen, als Tzinseraburen, Tzienserboeren, Zinserburen, Tzinserburen, enz. in verschillende aardrijkskundige woordenboeken en anderszins voorgekomen is. Wijl de oorsprong, de afleiding en de beteekenis van dezen naam my, trots veelvuldig onderzoek, ten eenenmale onbekend gebleven zijn, zoo geef ik de voorkeur aan de spelwyze die het naaste by komt aan de wyze waarop de ingezetenen zelven van dit gebucht, en de naast omwonenden, tegenwoordig dien naam uitspreken – als Siänserbürren, verhollandscht tot Sienserburen.

Nevens al deze talryke burennamen, die, met byzondere voorvoegsels, aan byzondere plaatsnamen eigen zijn, komt ook de naam Buren op zich zelven, of met allerlei algemeene voorvoegsels, als plaatsnaam voor, 200 wel geheel als gedeeltelik in algemeenen zin. De naam Buren op zich zelven is eigen aan een gehucht, eigentlik een kerkeloos dorp, op het eiland Ameland. Hier is deze byzondere naam weinig anders als een algemeen woord, in de beteekenis van uitbuurt, buitenbuurt van het hoofddorp Nes. Talrijk zijn in de friesche gouen zulke burennamen met een voervoegsel van algemeenen aard, en dan eigen aan byzondere straten in de steden, aan byzondere wyken of gedeelten van de dorpen. Kleine-buren, in het Friesch Litse-bûrren, in ouden friso-sassischen form Lutke-, Luttike- of Lutje-buren, vindt men in vele friesche dorpen, als in tegenstelling van de groote buren, of de hoofdbuurt; by voorbeeld te Grou in Idaarderadeel, by Marrum in Ferwerderadeel, by Winaldam in Barradeel, by Midlands op het eiland ter Schelling, en elders. Nye- en Nieuweburen by Tonnaard in Dongeradeel, en te Leeuwarden. Noorderburen en Zandburen als onderdeelen van het dorp Hypolitushoef op het eiland Wieringen; de Kerkeburen en de Bruggeburen (in het Friesch Tsjerkebûrren en Breggebûrren) als onderdeelen van den dorpe Dronrijp in Menaldumadeel; ook het friesche dorp Winsum in Baarderadeel heeft zyne Breggebûrren of Bruggeburen, enz. Al deze burennamen van min of

meer algemeenen aard gaan geleidelik over in de byzondere burennamen, aan byzondere friesche gehuchten eigen, hiervoren reeds opgenoemd.

Daar komen in de Nederlanden, en eveneens in de friesche gouen buiten Nederland nog eenige plaatsnamen voor, die almede met het woord bur samengesteld zijn, waar echter dit woord dien naam niet sluit, maar opent. Als een oorbeeld van zulke namen noem ik dien van den schans, of liever van het omschansde dorp de Boertange in Westerwolde, Groningerland. Tange is een algemeen aardrijkskundig woord, waarmede men in zuidoostelik Groningerland, oostelik Drente en in de aangrenzende deelen van Oost-Friesland en Neder-Munsterland, waar zeer uitgestrekte moeren, mooren of venen zijn (de Boertangermoor of het Boertangermoeras, de Twiste, de Tinner Dose), de hooge zandgronden, de vaste geestruggen aanduidt, die als lange smalle ruggen zich verre in het omringende slappe veen uitstrekken. Dit oud-friesche woord tange is van den zelfden stam als het woord tong, of liever oorspronkelik een en het zelfde woord. Het zelfde denkbeeld, dat aanleiding gaf om smalle, in zee vooruitstekende gedeelten van het land landtongen te noemen, heeft ook aan deze in het moer uitstekende zandruggen den naam tange gegeven. Sommigen van deze tangen zijn beboud en bewoond. Waar men dus op zulk eene tange een gebou (bur) stichtte, kreeg die tange den naam van de burtange (boertange), ter onderscheiding van andere onbeboude burlooze tangen. Dit is de oorsprong van den hedendaagschen dorpsnaam. De tange, die het oude klooster Huis des Lichts”, en het dorp Ter Apel draagt, heet van ouds de Kloostertange; eene andere tange, waar byzonder veel korhoenders zich ophielden en nestelden , kreeg naar de fraaie en zeer in 't oog vallende korhanen den naam van de Hanetange, en het gehucht, op die tange geboud, by den dorpe ter Apel, draagt dien ten gevolge ook dezen naam , al hebben sommige woordenboeken er eene »Hanetangvan gemaakt. Maar deze fout is in der daad zeer gering by de fout die in de dikwijls voorkomende spelwyze Bourtange schuilt, Deze domme franschformige schrijfwyze, met fransche ou in plaats van algemeen-germaansche u of byzonder-hollandsche oe, verleidt dan ook wel dezen of genen betweter om den naam geheel op fransche wyze uit te spreken, de laatste twee lettergrepen als het fransche woord ange, engel; zeker al eene wonderlike uitspraak van een zuiver oud-friesch woord. De nog een stap verder verfranschte spelling Bourtagne die in Witkamp's Woordenboek voorkomt, moet, blykens de Bijvoegsels en Verbeteringen, achter dat werk gevoegd, als eene drukfout beschoud worden. (Voor het overige zie men, aangaande de plaatsnamen met dit woord tange samengesteld,

voor

het gene ik daar van mededeelde in het tijdschrift De Navorscher, XXV, 509; XXVI , 85 en 298).

Daar zijn nog vele andere namen van nederlandsche plaatsen die met boer en buur beginnen. Ongetwyfeld is by verreweg het grootste getal dezer namen,

zoo verre ze buiten de friesche gewesten voorkomen, die lettergreep niet het oude woord bur, maar de nieu- en algemeennederlandsche woorden boer, landman, of (na-)buur. En in die beteekenis behooren ze in dit opstel niet vermeld te worden. Drie plaatsnamen echter, die in de friesche gouen buiten Nederland voorkomen, te weten die van de dorpen Burhave en Burlage, en van het gehucht Burmönken by Witinund, alle drie in Oost-Frieslaud, behooren wel tot de ware burnamen.

Al komen tegenwoordig de burnamen nergens zoo talrijk voor als in de friesche gewesten, zy ontbreken toch ook elders niet in germaansche landen. In Nederland behoort tot deze namen nog die van het geldersche stadje Buren in de Betuwe, en, als uitvloeisel van den naam Buren, ook die van het betuwsche dorp Buurmalsen, in tegenstelling van het naburige Geldermalsen zoo genoemd. Buren is hier, even als by de friesche burennamen, anders niet als een derde-naam valsform van het oude woord bur. In Duitschland komt de naam mede niet zeldzaam voor: in Westfalen wemelt het van plaatskes Bur, Buir, Boer, Buer, enz. Bühren, een gehucht by bet dorp Wildeshausen in Oldenburg; Buir, een dorp in Neder-Rijnland, by Schleiden (Aken), en nog een ander Buir in dat zelfde land, by Bergheim (Keulen); Buer, een dorp by Osnabrück in Hanover, en nog een ander Buer by Recklinghausen in Westfalen; Wesselburen, een vlek in Ditmarschen (Holstein); Ibbenbüren, stad in Westfalen, een naam na verwant aan dien van het friesche gehucht Ipenburen in Wonseradeel; Emsbüren (Buren aan de Eems), dorp by Lingen in Neder-Munsterland (Hanover); verder verschillende dorpen die Beuren heeten, met Blaubeuern, Benedictbeuern, Kaufbeuern, in Zwaben, Beieren en elders in Opper-Duitschland.

Door middel van plaatsnamen in algemeenen zoo wel als in byzonderen zin, met bur samengesteld, maakt dit oude woord ook deel uit van sommige nederlandsche geslachtsnamen. Te weten van: Van Buren en Van Buuren, met Buranus in latijnschen form, Buurstra en Boerstra in frieschen form. Verder Ipenbuur, de eigentlike form van bovengenoemden frieschen plaatsnaam Ipenburen. Ook Burenstins met Burlage, Buurlage en Boerlage, de drie laatsten aan den naam van het bovengenoemde oostfriesche dorp Burlage ontleend; om niet te gewagen van Buurman en Naber, Niebuur, Nieubuur, Niebuhr en Ninaber, Goetghebuer, Goegebeur,

Goedegebure en Quaghebuer, als slechts in overdrachteliken zin samenhangende met het woord bur.

Burum is de naam van een aanzienlik dorp in Kollumerland, Friesland. Deze naam wordt in de friesche taal ongeveer als Boerum uitgesproken, en hy wordt dien ten gevolge niet enkel in het Friesch als Búrum, maar ook in het Nederlandsch wel als Boerum geschreven. De laatste lettergreep van dezen naam, um, is eene verkorting, eene verslyting, eene verbastering van het woord heim, woonplaats, even als dit het geval is by alle friesche plaatsnamen, die op um eindigen. De eerste lettergreep bur is echter geenszins het oude woord bur, dat in de voorgaande bladzyden besproken is. De beteekenis der twee woorden bur en heim zoude reeds de samenstelling van zulken naam Burheim onmogelik maken. Dit Burheim immers zoude dan woning-woonplaats beteekenen; dat ware twee malen nagenoeg het zelfde gezeid, en zoude dus tegen alle goede rede indruisschen.

By negen van de tien plaatsnamen die op heim uitgaan in het algemeen, en by de friesche heim- of umnamen in het byzonder, is he: eerste gedeelte van dien naam een mansvoornaam. In de voorgaande blad zyden is dit herhaaldelik door my aangetoond. Ook by den plaatsnaan Buruin is dit het geval, en de mansnaam die daaraan ten grondslag ligt, is de naam Bur (Bure of Buri), een naam die by sommige germaansche volkeren oudtijds in gebruik geweest is. Te oordeelen naar de zeer weinige sporen die deze naam nagelaten heeft, moet hy echter weinig voorgekomen zijn. Uitgezonderd by de Friesen. Onder de Friesen bestaan nog heden ten dage 200 vele geslachtsnamen die aan den vóórnaam Bur ontleend zijn, dat men daaruit besluiten moet tot een veelvuldig voorkomen van dien naam, oudtijds in Friesland. Maar overigens is de naam Bur zoo weinig bekend, dat hy zelfs aan Dr. Ernst Förstemann ontgaan is, toen deze geleerde het eerste deel (de Personennamen) van zijn Altdeutsches Namenbuch bewerkte en in 1856 in het licht gaf. Eerst in de tweede uitgave van het tweede deel van genoemd werk, de Ortsnamen bevattende, en ten jare 1872 verschenen, vermeldt hy den mansnaam Buri, en sommige plaatsnamen in Duitschland, die daar aan ontleend zijn. De friesche plaatsnaam Burum, en de talryke friesche geslachtsnamen, die eveneens aan den mansnaam Bur hunnen oorsprong te danken hebben, moeten hem geheel onbekend gebleven zijn. Immers hy vermeldt ze niet. Volgens Förstemann heeft de oud-germaansche mansnaam Buri de beteekenis van burger, in

« VorigeDoorgaan »