Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Griet te Elden (1046 Griete datiefvorm), Het Griet bij Zevenaar

(hiervan komt in 970 als benaming voor Grese, een woord dat ook in de uitdrukking gers en griet er mede verbonden voorkomt. De vorm voor gras in de Graafschap is grös en gres. De bet. van Grese, dat. sg., moet dus geweest zijn weide. Het is onzeker of dit Grese bij Griet te Zevenaar behoort; eerder wellicht bij het in 1733 als Graas vermelde huis te Winterswijk. Wel kan bij Griet behooren het in 1237 voorkomende Gruete, dat oorspronkelijk een van beteekenis was met Griet en uit den vorm griuti ontstond, terwijl griet uit griot ontstond, vgl. Franck i. v. gort. Het Griet

bij Nijmegen (1622) en Griethuizen bij Zevenaar. Grind vr. mnl. grinde, kiezelzand: de Grind te Wiel; twee grinden binnen Keppel (1476). Hiernaast

staat een woord in Overijsel Greent, in Holland, Betuwe griend, m. luidende; dit woord is synoniem met meenthe (Racer 6, 88 meenthe ofte greent) in de bet. van weide; in Teuth, is grynt synoniem met waard; de beteekenis was achtereenvolgens arena, insula, salictum, thans meest het laatste, nl. wilgehakhout. Als plaatsnaam komt het voor in De Griend te Geldermalsen, Ingen, enz., aan de rivieren in de Betuwe, en in Grind of Gryn thans de groote Griend, een zandplaat in de Zuiderzee. De etymologie is nog onzeker. Aan de Rijn-, Waal- en Maasoevers wordt ind ge

a. linden tot Lienden, hier is dus niet uit te maken of Griend voor Grind staat of niet. Haag m. en vr. mol. hage, er naast staat hege pr., ags. hege. De oorspronkelijke beteekenis was struikgewas, reeds vroeg moet het de bet. van heining gekregen hebben, vervolgens omheinde plek, hoeve, versterkte plaats. Als plaatsnaam begint het eerst in de 11e/12e eeuw talrijker te worden.

Hagen bij den Haech (1561) te Lienden, Deutekum bij Winters

wijk, bij Diepenheim. Hagensdorp bij Vollenhove enz. Overhagen bij Velp (1473—1550 Auerhaegen). De Haeg, (838 Hega) te Didam, gaat evenals de Heeg (941) bij Zevenaar, bij Diepenveen op hege terug. Hiernaast staat nog Hegge (1293) bij Lienden, bij Vaassen,

bij Epe, van hagjo zw. pr. met ohd. nd. hegge overeenkomend. Haar vr. gewestelijk hare, ndd. Die Haer plaatsnaam ; ook appellatief in mnd., Schiller-Lübben Wtb. i. v. hare (zonder opgave van beteekenis): twe hare unde kempe, en in den twen haren. Waarschijnlijk hangt het in beteekenis samen met ohd., mhd. adj. hare (harwe) ruig, en beteekent het eene ruigte of met struikgewas begroeide woeste plek. Bij

rekt z.

Iserlohn komt voor de rauhe Fahr, de garden an der hare (1446).

In Gelderland bij Valburg de Haar (1520 der Haer, in 1322 den

Haern, dat. pl.), de Hare bij Vorden, Haarlo bij Borkulo (1188, 1244 Harlo), Bergharen in Maas en Waal (1250 capelle Hare, 1497—1583 Haren, van 1663 Borcharen), Zevenaar (838 Fumarbara 1. Suuan- of Suvanbara); op de grens van Overijsel de Balderhaar (1252 Berlehere), Bruine baar (1780 Broene haar), Kievitshaar te Avereest (1337 Kyvedesbaar). Voor Langerak bij Deutekum vindt men in 828 Langhara. Vgl. verder Haren bij Groningen enz. Of Haersolte uit Haresholte ontstaan is is niet zeker, want voor 1188 is de naam niet bekend. De uitspraak der a is thans

gerekt, maar de vocaal was oorspronkelijk kort. Haard vr. ohd. hart silva, woud, bosch; in Spessart (Spechteshart) e. a. in Duitschland veel voorkomende.

In Gelderland: de Haert (Haert 1758) bij Aalten, de Haard bij

Olst. Ook wellicht met i-achtervoegsel in Heerde (1276 Herde). Hake zw. m. Dit woord komt in mnl. voor in de bet. zandplaat. In Mnd. Wdb. komen i. v. hake vein gewisses landmass” eigenlijk twee beteekenissen voor: 1o de maat acht haken landes, 2° wordt er gesproken van wusten haken, de men buwet (ao 1410), in dit laatste geval schijnt het meer op den aard van den grond te slaan en meen ik er hetzelfde woord in te mogen vinden dat Verdam Mnl. Wdb. III 31 vermeldt: de haecken of sanden. Kiliaen noemt een haeck hooiopper. Er schijnt dus een begrip van hoogte aan verbonden te zijn, in meer algemeenen zin zandboogte. Deze beteekenis is volkomen van toepassing bij Hackfoort, waar zich bij eene zandhoogte, die van weinig beteekenis maar van eenigen omvang is, eene voorde door de beek bevond. De zwakke vorm van den nom. sg. Hacke komt nog uit in van Hackevoerde (1536), in de andere vormen is de o reeds afgevallen en Hacroerde (1372) of Hackvoerden enz. geworden.

Hal st. vr. De beteekenis was oorspronkelijk vertrek, later werd er het geheele huis onder verstaan, os. halla, mnl. halle (over de beteekenissen zie Verdam i. v.). Als plaatsnaam in Hall op de Veluwe (in de 12e eeuw Halle, Halle bij Zelhem.

Ham st. m. Volgens Verdam Mnl. Wdb. i. v. hetzelfde woord als heem, hem. Hiertegen is echter een grammaticaal bezwaar nl. dat ee in heem uit ai ontstaan is; bij verkorting als laatste lid eener samenstelling is heem tot hem geworden, maar kon nooit ham worden, evenmin kon ham uit baim ontstaan. Alleen in ags. friesch is ai tot â geworden maar

deze vorm

en het met ons ham overeenkomende ags. hâm, (hom) wisselen niet af, behalve als laatste lid van sommige eigennamen, waar ham verkort is door verlies van accent. In de engelsche plaatsnamen met ham als Buccingham e. a. is het moeilijk uit te maken of men met ham, uit hām verkort, of met ham te doen heeft; soms worden beide woorden verward z. a. in eenzelfde chroniek to Buccinga hamme en to Buccinga hám. In het Friesch staat naast hàm ook hêm (uit hāmi). In de saksisch-frankische streken kunnen hêm en ham nooit in elkaar overgaan en blijven gescheiden.

Voor verder te kunnen gaan moet ik even aanstippen dat door Verdam ten onrechte vereenigd zijn hamme (schenkel, knieschijf) en ham bocht, buiging. Het geslacht van hamme is vrouwelijk, dat van ham, inham (door Verdam Tijds. I, 31 er mede vereenzelvigd) is manlijk; bovendien is de nom. sg. van hamme en van ham ongelijk: die hamme in Brab. Y 2, p. 614 is nom. pl.; in Westfr. Stadr. I, 107 staat een acc. sg. ham. Ook in hdd. keuren uit de 140/15e eeuw komt ham, n. pl. hamme voor. Samenhang met hamme evenals met hame wil ik niet ontkennen, maar het is niet hetzelfde woord; ham is in mnl. ags. ndd. manlijk, gen. sg. hammes. De beteekenis is verschillend; mnd. Dein (durch gräben) eingefriedigtes stück land", westvl. weide, weiland, Kiliaan vetus saron. hamme van wilghen, ags. »dwelling, fold, enclosed possession", ook aan de rivier gelegen des hammes be norðan qaere littlan dic Kemble III, 421, 15. In Mnl. Wdb. komt voor onder ham znw. m. Troyen 249a Doe deden sy die scepe laden ende ruumden schier dien ham, door Verdam als woonplaats vertaald; het kan hier echter evengoed op de ligplaats der schepen slaan; hôm dorp, z. a. V. aangeeft, is het zeker niet. Verder komt het voor in de beteekenis van weide.

Dan staan Mnl. Wdb. onder hamme znw. vr. die hamme, die der rivieren of der scepvaert letten, en eenen ham off hoeck slycklants, beide van 't manlijk geslacht.

Zekerheid omtrent etymologie is niet te geven, evenmin staat het vast welke de oudste beteekenis geweest is. Uit de locale toestanden mag men, in verband met gegevens van elders, als waarschijnlijk opgeven dat de oudere beteekenis die van hoek was, vgl. inham, uitham, hoek aan een

er, hoek lands (evenals nog heden hoek gebezigd wordt), hoeken land aan de rivier zijn meest met gras of wilgen begroeid; vandaar de beteekenis weide en wilgenland; eindelijk is de naam op het erf en vervolgens op de er op gebouwde woning en woningen overgegaan.

Men vindt den Ham in grooten getale in ons land: in Groningen

3, in Overijsel 2, in Gelderland 8, in Utrecht 3, in Braband en Limburg verscheidene; in Overijsel is Blankenham (1420 in den Hamme vgl. N. G. N. I, 83), IJsselham (Ov. Arch. 1384 Iselham, hamme, de lezing Sillebem of Sileham Matth. Anal. III, 74, 476 ao 1132, 1198 is niet zeer betrouwbaar), in Gelderland: Barlham

(1278 Bernhamme, 1524 Barlaham, er naast 1232 Berinchem 1232). Hasel m. mnl. mnd. hasel, haselaar: Hazelt (1500 Naselt, 1413 ter Hazelt), Hazedonk (1408 Haseldonck); in Overijsel: Hasselo (900 Haslo, 11e eeuw Haselo, 1457 Hasseloo), Hasselt (1227 Haslet, uit Hasl-ethi).

Heed, heet 0. st. myrica, beigewas, mnl. heet, ags. haer en hae%berie. Dit woord staat naast heide vr. erica. In het westen van de graafschap Zutphen en langs den IJsel wordt voor heed ook hiet geboord.

Heetkamp bij Lochem (764), den Heetkamp te Oene op de Ve

luwe, Heetveld bij Vollenhove te Leusden prov. Utrecht, Hietkamp bij Laren, Gorssel, Vorden, Hietveld bij Vorden, Werden. Heber.

I, 29b Xe eeuw Hethfeldum. Heem, heim m. en onz. Het vrouwl. geslacht heeft ook bestaan, getuige de geslachtsnaam van der Heim. Het stamsuffis is in beide vormen verschillend geweest, in den eenen a, in den anderen i. Van het eerste komt ags. friesch hâm, ndd. heem, van het tweede friesch hêm, ndd. frank. heim. De vorm hêm gaat in friesch verder in hiem over; ook in de IJselstreken, waar hiet voor heet gezegd wordt, vindt men overgang van heem in hiem, vooral wanneer een consonant volgt, 2. a. het Hiemken in Vorden. Terwijl heim in samenstelling met andere woorden meest bewaard bleef, is hem daarentegen zeer aan verkorting onderhevig en deed verlies van accent de o in toonlooze syllabe in doffen klinker overgaan. Heim in Diepenheim (uitspr. Diepem), Bentheim (Bentem), Windesheim (Winsem NGN. II, 161), in Holland Sassenheim (Sassem), hiervan zijn de drie laatste met eigennamen: Bent, of Bint, uit Benit (Stark Kosenamen 63), Wind, uit Winid, on Sasso, het eerste met een adjectief, samengesteld.

Hêm met eigennamen samengesteld was aanwezig in: Archum i.

Overijsel (947 Arachem), Arnhem (893 Arneheym, 996 Arnhem), Beinum bij Doesburg (Bernheim 960, Bernheym 1200, Beynem 1356, Beynum 1539), Bennekom, (Berinchem 1232, 1334, Bernichem 1346, Bennecom 1389), Benthem (1230), Beuzekom (Buosinchem 866, Boesikem 1367), Breklenkamp i. O. (900 Brakkinghem, door explosiv-uitspraak van ng ontstond Brakkinkhem, dit werd tot Brekkenkkem, verwisseling met ham had doen ontstaan Brekkinkham, dat Brekkenkam en, door volksetymologie, BrekkeIII.

22

ninkkamp, eindelijk Brekelenkamp werd), Dalfsen i.0. (1318 Dalvesem, 1338 Dalvveshem), Deudekum of Doetinchem (808 Duttinghem, van Dodo, de uitspraak heeft steeds zachte d), Ellekom (960 Ellunchem, 1127 Ellenchem, 1645 Ellechem, 1741 Ellekom), Erlekom (Adelricheim 800), Gellikum (Gallinghem 980, Ghellinchem 1148, Ghellikem 1377), Greffelkamp (1420 Grefflichem), Hattem (891 Hatheim, 966 Hathaim), Hoekelom te Bennebroek (814 Hukilheim, vgl. Heukelum 1262 Hokelhem), Ittersum (Ittersem 1207, 1308 Ittersum, 1407 Ittersheim), Kekerdom (Cacradesheim 11e eeuw, Kekerthem 1203), Ootmarsum (918 Othmershem), Renkum (Redichem 970 en Redinchem), Wilsum Ov. (Wilshem 851, 1213), Winsen (1028 Win

deshem, 1246 winsen), Zeddam (Sydehem, Sedehem 1211 enz.). Met andere naamwoorden in: Barchem, Berchem (beide uit berg

hem), Bruchem (uit brók hem), Zelhem (10e eeuw Salehaim) Dalem, Holtheme, 0v. (1388 Holtheem). Geen samenstelling met hem

in Berkum, 2. 0. mede. Hees vr. omtrent de etymologie en de oorspronkelijke beteekenis is niets mede te deelen, daar vormen in de verwante talen ontbreken. Het woord komt in de oostelijk van den Rijn gelegen streken noordelijk van Siegen voor, een enkele maal westelijk van den Rijn bij Crefeld. Forstemann Ortsnamen 797 noemt het een vwaldname.” Vgl. met Holthees in het land van Kuyk in Silva Hese uit Werden. Reg. Praepos. 4b (1 0e eeuw). Samengesteld met apa: Hesapa, Hesepe Cartul. Werd.

Hees bij Didam (in Hesin 828, in Hesi, Westerhesi 838 Hese 1006),

Hees bij Nijmegen (De Hese 1196, 1287), Heeze in N. Brabant (IIezia 785), Bruechese (1400) bij Emmerik de Heezestraat te Deudekum, Hezewijk te Heumen, enz. Met t-suffix in Heest de Heest te Laren (1517), ter Heest te Markelo (1457), Heestpoort te Deventer (1345). Wegens Heyst in Vlaanderen is het echter onzeker of Heest wel met Hees samenhangt. Onzeker is of Hee

selt te Varik (850 Hesola , 1250 Hesle) hierbij behoort. De e in Hesi kan voor de i uit a ontstaan zijn, zoodat de grondvorm Hasi geweest is, voorkomende in Heesbeen in N. Brabant (918 Hasibenna Sl. Oork 110); wellicht is hiermede dan verwant onrd. hes, uit hasja houten spie, en is ook Hasi in Hasigouwe en Hassia in Hessengouwe in Westfalen van dezelfde familie. In het Arnsberger Urkbuch. 163 komt ao 1273 voor hes: pratum quod vulgo appellatur in deme Buchehes.

Merkwaardig is dat sommige woorden op -heze later met huize, huizen zijn samengesteld: Darthuizen en Maarhuizen, vgl. Tegenw. St. 325.

« VorigeDoorgaan »