Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

zijn uitgevallen, of niet geschreven zijn

de ' ontbreekt wel meer, dus: Bronewirt?

Is dit hetzelfde als 'Brunnenuurt in de Descriptio ... Hadamar" (Xe eeuw, zie beneden. 't Register i. v.).

Noch wordt meegedeeld:

27. Ego Wolf brabt de Fresia tradidi ad scm. Bon. bona mea in Richeim XV boum terram et in Baltratingen V (i)ugera. in pago

Osterih e IIII iugera cum mancipiis.
Met deze kan wegens overeenkomst van inhoud vergeleken

130. Ego Wolfbraht et Giso et Muntwrfi entigis ') in pago Fresonum tradimus ad scm. Bon. in Reis-heim XV boum terram et in Baldratinge V boum terram, in pago Ostrahe quicquid proprietatis

habui. in terris. agris, pratis. mancipiis. domibus et familiis. Blijkbaar dezelfde tekst in verscheiden redaksie. Reisheim zal m, i, de oorspronkelike vorm van de eerste plaatsnaam zijn – Richeim altans is niet bekend - en het hedendaagsche Reitzum in Ferwerderadeel wezen.

Reitsum wordt ook in het Vita Fretherici, Wybrants blz. 33 genoemd:
matrona Siweris filia Ulbrandi sculteti de Reysum.”
En in het Vita Siardi, ald. blz. 139: »Menardus nomine de Reysum."
A° 1465: her Syck, personna to Reysem.

Schwartz. I, 612 (orig.) Terwijl het Register van Aanbreng (1511) passim: Reysim heeft; eens ook Resum, ald. IV, 33.

Waar Baldradinge Baltratinge zal een ouder vorm zijn evenals Fade- en Fal(h)r gelegen was, kan ik niet aanwijzen.

Andere plaatsen zijn noch:

61. Item Reginhart trad. Sco Bon. in pago Osterriche in uilla nuncupata Metwid terram XII boum. Et in alia uilla que dicitur Ringesheim terram unius bovis et in uilla tercia que vocatur

Echmari terram duorum boum et dimidium.
In de Descriptio... Hadamar” (Xe eeuw, zie 't Register i. v.):
Ringesheim.

Zonder twijfel is dit tweede hetzelfde plaatsje dat in Vita Siardi, Wybrants 138 gememoreerd wordt:

1) Vgl. 129: Ego in dei nomine Wölf. Wartgis et Munturfi éntigis tradimus ad scm. Bon, etc.

pquidam laycus de Ringesimagast.” De s in Ringes- zal vergeleken moeten worden met die in Heimes-' waarachter wel -heim, -werd, -ga is weggelaten — en die in Esum(-erzijl); vgl. noch » Rembodas huson, Bisas hem, Fretmaras hem, Henrikas kiricun, Andulsas hem" in de Index Werdinens. Gron. Bijdr. VI.

Men houdt het voor hetzelfde als het tegenwoordige Rinsumageest. A° 1421 : Johannes cureet to Renismaga est.

Schwartzenb. Charterb. I, 435 (orig.) A° 1423: frater Thadeus . . abbas Sancte Marie, in Claro Campo, Geno curatus in Dontinwald, Johannes curatus in Reinsmaga est.

Schwartzenb. I, 458 (orig.) A° 1440: Wybren Sackassin Wikenggha, winheftich in Eslawald...

Clircamp... Syo nama medbim ... Swarembird... Dockim... Henno, vsen persona, Syidze Tyarda ende Iu Boccama hadhelingen up Reenkismagast.

Schwartzenb. I, 520 (orig.) In Rinsumageest lag de Reinsuma-state 1).

De u in Rinsuma is de toonloze klinker, waarschijnlik als u geschreven, omdat men 't woordgedeelte in verband bracht met -um heim); hij staat ook in 'Dantuma.'

Voor -s en na n- kan de g als k worden gehoord; zo verklaar ik me: 'Reenkisma' naast 'Ringesima’; deze gutturale is in 'Rinsma' en 'Reinsma' weggevallen, of niet geschreven.

Naast -in- staat ook -en-, vgl. van Helten, Altostfries. Gramm. S. 11.

De ei in Reinsma (1423), als de ee in Reenkisma (1440); en de e in Renisma (1421 indien daar altans geen Reinsma is te lezen -- wijzen op rekking, bijna diphthongisering; dit komt meer voor; bijna, misschien alle +ns worden in 't nfries gerekt uitgesproken, welke klank de een als ei, de ander als ee zal teruggeven.

Hoort 'Ringes' tot de van (h)ring - Förstemann II, 711 – afgeleide plaatsnamen? En hoort bij dat woord ook de nfriese voornaam Rinke, Rintsje, Rinse? 2).

Metwid zal vermoedelik in Metwrd of in Metwird (-wi’d) moeten verbeterd. Evenals "Tibbincheim' en 'Feterwrde', zal Meth-wird of Med-wird de friese vorm zijn.

1) Vgl. Tegenwoordige Staat van Friesland II, 244.

2) In Hindelopen vooral, maar ook in geheel Friesland wisselden mans-, en vrouwenamen, daar de naam vóór de geboorte werd vastgesteld.

Het is hetzelfde als in de »Descriptio ... Hadamar" (zie beneden, 't Register i. v.) Medunwerth. In de Vita Fretherici, Wybrants blz. 58:

Est villa prope Holwert, nomine Medewerth. Noch ligt een gehucht, bestaande uit 3 boereplaatsen, een uur ten zuiden van Holwerd, dat “Meddert' heet, maar op Suringar's kaarten noch Medwert wordt genoemd ').

Vgl. ofries méth, mêde; ags. mæd; engl. meadow, mead. Nfries miede, 'yn 't mæd', ped. mad, zie Franck, Etymol. Wdb.

Echmari zou 'Eekmarijp zijn; de p zou verloren wezen. Kan het ook aanduiden een 'meer', waar de Ee van Leeuwarden langs Dokkum naar Ezum(azijl) doorstroomde, en dat tans vernauwd een andere naam draagt. 'Akmarijp' ligt heel in 't zuiden, in Utingeradeel; en ontleent eerder zijn naam aan Ackrommarijp; zie boven, blz. 63. Ook betwijfel ik of de p (met noch een uitgang ?) wel weggevallen is.

In Trad. Fuldenses VII, 79 wordt meegedeeld:

Ego Engelram et Rabeninc et Dietwar tradimus ad scm. Bon. proprietates nostras in pago Ostraho in uilla Mereheim terram IIII boum cum omnibus sibi attenentibus pratis. pascuis. siluis. domi

bus et familiis. Misschien is dit plaatsje ook bedoeld in

57. Ego Hiltrih trad. sco Bon. terram pascualem XV pecoribus in loco qui dicitur Mereheim cum ceteris appendiciis. In de »Descriptio ... Hadamar" (Xe eeuw): Mereheim. Zonder twijfel is dit het tegenwoordige Marrum. In Vita Ethelgeri, Wybrants 224: Kemponi de Meru m. A 1418: Yornd Bottyngha, gameech to Marrym.

Visser-Amersfoordt, Archief III, Aanh. blz. 9 (orig.) Voor de p wisselt meermalen de ě en å.

In dezelfde Traditiones Fuldenses :

1) Het Medwerd, dat van den Bergh, 0. A.2, 138 er mede vereenzelvigt, en dat in een charter over kerkelik recht van Franeker voorkomt: „Henricus curatus in Medwerd, ac decanus Fraenkera", Schwartz. Charterb. I, 240, is Memert, 1/4 uur 0. van Winsum, Baarderadeel. Al de onder dat stuk genoemde personen wonen en moeten wonen in Westergo's dekenschappen.

Ego Folcmar de Fresia tradidi ad Scm Bon. in uilla Lintarwrde terram pascualem sex bouin. Men houdt dit voor het tegenwoordige Leeuwarden. Het ohd. 'linta' is linde; dit zou dan de 'Lindenwaard’ kunnen betekenen.

Na n valt de d vaak weg; nfries is noch "lynebéam'; fyne = vinden, etc. Ofries hwanne = hwande.

Daarmee stemmen wel de vormen in latere eeuwen; alleen die met Liun (XIe eeuw) maakt een uitzondering. Vanwaar voor de n toch de u? Of stelt dit de rekking der i voor de n voor, na wegval van de d? Evenals de ie in Lien- (1148)? En de ng (n) in Ling- (1155).

Maar uit Lân-werd zou regelrecht Linaart ontstaan ; waarom valt de n weg, en blijft de w in Li(0) w (er)t? Dit is groter zwarigheid tegen het aannemen van deze etymologie.

In de XIe eeuw staat op de munten van Bruno (1038—1057) en Egbert I (1057—1068), graven van Friesland, 'Liunvert', 'Lin wart; en tal van verknoeide vormen; vgl. Dirks, Vrije Fries III, IV, VI “). A° 1146: de synonia, in venditione aecclesiae de Linwert perpetrata, convictus Corbeiae in capitolio.

Jaffé, Mon. Corbeieng. blz. 232. A° 1148: omnibus fidelibus christianis, qui sunt in parrochia Lien

ward, salutem. ald. 223, Schwartz. Charterb. I, 76. A° 1149: clericis qui aecclesiam de Linward tenuerunt.

ald. 276, Schwartz. 77. A° 1152: possessiones Corbeienses aecclesiae .... ut aecclesiam Line

wertensem et Merthem predium.. aecclesiam de Linewert, et predium de Mertben.

ald. 487; zie beneden, ('t Register, i. v. Merthem). A° 1155: Decimam de curiis Gruninge. In Fresia quandam possessio

nem que vocatur Merthen, et in eodem loco ecclesiam de Linguerd.
Insulam Ruianam, et piscationem Hocwar.
In een opsomming van goederen, Erhard, Regesta Historiae

Westfaliae (1847) II, blz. 79, no. 301.
A° 1184: decimam de curia Gruninge. In Fresia quandam possessionem

que vocatur Nerthen et in eodem loco ecclesiam de Linguord insulam Rumenam, et piscationem Hocwar.

Falke, Tradit. Corbej. 742.

1) Van Iddekinge dacht aan 'Leeuwte' bij Vollenhove; Friesland en de Friezen, blz. 78, vv., ten gevolge van zijn onjuiste teorie, zie boven, blz. 18, noot 4.

XIIe of XIIIe eeuw, memoriaal in het Archief van Munster I, 133, blz. 94:

Decimam de curiis Gronigge.
In Fresiam quandam possessionem quae vocatur Merthen.

Item in eodem loco Ecclesiam de Linguerd. Insulam Rogianam et piscationem Hocwar.

Verwijs, Corvei en Leeuwarden, blz. 61. Het vinsula R.” is mij onbekend. 'Hocwar' kan het latere Hoxwier, n. o. van Mantgum, Baarderadeel, wezen. A° 1439: Gretman end Rechters in de mene gaerleger als ... Aesegha to Hoxweer.

. Schotanus, Tabl. 74; Schwartz. I, 518, zie boven blz. 70, Of ligt het aan de Weser?

'Hocwar vgl.: piscationem ... in fluvio Wisera in pago Wimodia. (bij Lesum)... quae quia in similitudo palorum quos incolae hocas vocant, construitur, gentilitio nomine ab indigenis hocwar nuncupatur. Sickel, Acta Karolinorum II, 181, aangehaald

bij von Richthofen, Unters, II, 754 noot :). no. 737: 33 familie in adjacente silva arbores cedere, palos acuere, hocwares construere, et sic piscationem in Wisera in statu integro conservare debent.

Falke, Tradit. Corbej. Registrum Sarrachonis, blz. 42. Ao 822: Ad... monasterium (in Nova Corbeia)... iunior Lodowicus

tradidit abbatiam Visbike, decimas quoque cum decimalibus ecclesiis in episcopatu Asenbruggi, et piscationem in Wisera que dicitur Hu 0 0 - w ar.

Annalista Saxo, Mon. Germ. VIII, 572. Indien geen Linguerd overgeleverd was, zou men geneigd zijn 'Linwerd' in ‘Liuwerd' te veranderen ?), maar ng wijst op gutturale nasaal n; vgl. het omgekeerde bij 'Dockynchirika', boven blz. 93.

Er is noch een andere etymologie mogelik.

1) Von Richth. brengt, m.i. terecht, daarmede de 'Hugmerki', Hummerke in verband Pfahlwerk, zur verteidigung der mündung des Hunse in der Laubach.

Noch 'en Hokwerd onder Winsum, Benif bk. 371, 372a. Ligt bij de snijding van de Bolswardervaart, die daar zeer bochtig is, en van de Franeker-Sneker zeilvaart, beide oude afwateringen, tussen een viertal terpen, bij Oosterlittens.

Hokaerd bij (te ?) Franeker. Vgl. vooral Friese Volksalm. 1890, blz. 48, en noot. 2) Zoals Mr. de Wal voorstelde, Maatsch. Letterk. Verslag 1849/50, blz. 41.

De munten met duidelike n zijn trouwens ook talrijk, vgl. Mr. Dirks, Vrije Fries VI, 26, noot 36.

« VorigeDoorgaan »