Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

ren, en dus worden de zaaden van het koorn
des te grooter. Op dezelfde wyze worden, in
Litthauwen, de onvrugtbaare landen, welke
met mos, riet, of struiken bedekt zyn, in kor.
ten tyd vrugtbaar gemaakt, als fy twee of drie
jaaren na den anderen afgebrand, daarna ge-
ploegt zyn, en beteelt worden.

2

Beschryving van de Beurs-rot. Dit dier word Pag. 249. van de Spanjaarden Chuca, van de Americaanen in Peru Mucamuca, en van de Inwooners van Nieuw - Spanjen Tlaquatzin genoemd: hetzelve behoort niet onder het geslacht der Rotten, schoon het in eenige opzigten met dezelven schynt overeen te komen. Hetzelve is grooter, als eene kat, heeft eenen kleinen kop, eènen langen en kaalen snuit, waar aan van vooren lange borstelagtige hairen zyn, zeer tedere ronde ooren, en kleine zwarte oogen. De pooten en staart zyn als by de Rotten. Het lighaam gelykt na dat van een Das. De staart is agt tot negen duimen lang, en zoo buig. zaam, dat het dier zich van denzelven be. dient, om zich daar mede overal aan vast te hangen. Het hair is wat langer, als by eene Rot, aan den wortel wit, doch voor het ove. rige zwart; de staart heeft de kleur van eenen Tyger. De pooten en ooren zyn zwart, en de laatsten hebben witte punten. Het merk. waerdigste omtrent dit dier is een zak onder aan den buik, welke van het begin van den buik af zich uitstrekt tot aan de teeldeelen. Dezelve bestaat uit twee vellen, welke haaren oorsprong neemen, alwaar de onderste ribben beginnen. In de midden komen sy tot elkander, en zien uit, even als den buik, welken

Гу

[ocr errors]

sy bedekken. In de midden is eene opening, welke omtrent twee derde van de lengte uitmaakt, en door spieren kan toegeslooten, en geopend worden. Wanneer het dier jongen heeft ter waereld gebragt, welke gemeenelyk vier of vyf in getal zyn, dan doet het dezelven in den zak, duit denzelven toe, en bewaart hen dus; waar door het schynt wederom zwanger te zyn. Wanneer de jongen groot zyn, en de Moêr die niet meer wil laaten zuigen, dan laat sy de jongen uit den zak. In een wyfje, welk ruim drie dagen dood geweest was, en reeds begon te stinken, was het gat van den zak nog geflooten, en de jongen daarin waren alle nog levendig. Elk hong aan eenen tepel; en wanneer men dezelven daar af trok, liepen uit de tepels nog eenige droppelen zog. Het mannetje is van dezelfde grootte en gedaante, als het wyfje, doch niet voorzien van zulk eenen zak; deszelfs ballen zyn grooter, dan hoenereijeren.

De beurs-rot volgt al het tam gevogelte, en klimt zeer gemakkelyk op de boomen. Men vindt dezelve niet alleen op bezaaide landen, alwaar sy de Mays vernielen, maar ook in de huisen. De Indiaanen eeten het vleesch. In Amerika en op eenige Eilanden in de Zuid-zee word dezelve gevonden. .

Pag. 252. Beschryving van den Orang-Outang, of den

Bosch mensch. Tusschen de Menschen en Aapen vindt men een dier, 't welk op de kusten van Africa Boyga, Pongo, van de Europeaanen Mandril, en van de Indiaanen Orang Outang genoemd word. Hetzelve heeft met den menfch eene zoo groote overeenkomst, dat niet, dan de

spraak,

spraak, daar aan schynt te ontbreeken. De duimen aan de pooten, in plaatse van den grooten teen, en het gemis der kuiten, toonen het geNagt der Aapen aan.

Veelen zyn op de gedagten gekomen, dat soortgelyke dieren zouden voortgesprooten zyn uit de vermenging van Indiaansche vrouwspersooner, met Aapen, of Baviaanen; doch thans weet men zeker, dat het een byzonder dier is, welk met veele soortgelyken in gezelschap leefd.

Dit dier, tot synen volkomen wasdom gekomen zynde, is zoo groot, als een middelmaatig man. De kop is zeer groot, het gezicht breed, plat, en haatelyk, heeft eene witte huid, en is vol rimpels, gelyk in oude menschen. De oogen leggen diep, zyn goud-geel, en hebben behalven de oogleden nog een vliesje, het welk fy, even gelyk de vogelen, over dezelven konnen trekken. Men zegd, dat fy zich des daags verbergen, doch des nagts goed zien konnen. De neus is klein en plat, de mond wyd, de lippen dun, de tanden breed en zeer geel. Het hair op den kop wit, kort, en gekrult, als wol. De navel is ingetrokken, gelyk by de menschen, en de wyfjes hebben opgezette borsten. De beenen zyn korter, als van een mensch, doch de armen, handen, en voeten langer. Altyd gaat het dier regt op, gelyk een mensch, en niet op de vier pooten, gelyk de Aapen.

Het aangezicht, de oogleden uitgezonderd, is geheel zonder hairen, gelyk ook de handen en voeten. Voor aan het lyf zyn ook weinige. Het overige lighaam is bedekt met donkere, doch niet digte, hairen. Het dier eet geen vleesch, maar leeft van boom-vrugten. Heeft het pyn of ongemak, dan schreit het, als een kind. Gemeenelyk word het vyf en twintig jaaren oud.

boom

Sy houden zich gezamentlyk op in hoolen, of bouwen voor zich hutten, waar onder sy tegen den regen beschermt zyn. Sterft een van deeze dieren, dan word het door de anderen met takken bedekt. De Negers, door de bosschen reizende, maaken altyd des nagts vuur, en deeze dieren, de Negers vertrokken zynde, zetten zich rondom het vuur, tot dat het uitgaat; doch zyn niet zoo verstandig, om hout daar by te leggen.

Zeer gevaarlyk zyn fy, en dooden somtyds de menschen; het eenige middel, om zich te redden, is, dat men in het water springt, waar voor sy zeer bang zyn. Komt een Olyphant op de plaats, welke fy in bezit genomen heb. ben, dan vallen sy op hem aan, en slaan hem zoo lange, tot dat hy brullend wechloopt. Men verzekerd, dat vrouws-persoonen, zich alleen bevindende, door de mannetjes overvallen worden, welke haar geweld aandoen.

De ouden vangt men nooit levendig; want sy zyn zoo sterk, dat tien mannen nauwelyks een derzelven houden konnen. De Negers vangen dikwils jongen, wanneer sy de ouden gedood hebben. Deeze konnen tam gemaakt, en tot arbeid gebruikt worden, leeren stampen, water haalen, en groote lasten op den kop draagen.

Men vindt de Bosch-menschen in Afrika op de kusten van Guinea en Kongo, als ook op eenige

Eilanden van Afia, Java, Borneo, Amboina. Pag. 256. Berigt van de legging van de Stad Chemnitz, en van de gegraave lighaamen, welke aldaar gevon

den

[ocr errors][ocr errors]

[ocr errors]

se :

den worden; door den Hr. SCHULZE. Chemnitz
is geleegen in eene zeer aangenaame vlakte,
die van alle kanten met heuvels en bergen om-
ringt, en door verscheide rievieren besproeid
word. De grond is voor een gedeelte slikke-
rig, en bestaat voor een gedeelte uit mergel,
zynde te gelyk voorzien met eenige quartz-
aderen, en zulke, welke granaaten bevatten.
Men vindt aldaar verscheide versteende lig-
haamen, als versteend hout (Lithoxyla), ver-
fteende zeeplanten (Zoopbyta), en Coraalen
(Corallia); de eerstgenoemden zyn byna zoo hard,
als agaat, zwart van kleur, en niet zelden
vuld met cryftallen, en een onyx of amatbist.
De versteende Coraalen fchynen te bestaan uit
verscheide buisjes, welke naast elkander ge-
plaatst, en gevuld zyn met Chalcedonier-steen,
Carneool, Onyx, of agaat, zoo egter, dat
verscheide buisjes ledig zyn. Naar maate van
het verschil der buisjes en der kleur, krygen
fy onderscheide naamen: en worden genoemd
Staarsteinen (Lapides Sturniformes), indien de

,
vlakken rond, wit, of van onderscheide kleuren
zyn; Oog-steenen, indien de vlakken ovaal zyn;
Worm-steenen, indien men de zydelyke rondtens
der buisjes zien kan. De versteende Coraalen
hangen gemeenelyk aan de oppervlakte van stee-
nen, welke deelen van Zee-planten of Zee.
sterren bevatten. Verder vindt men ook Zand-
steenen, en by Altchemnitz leyen. - By Nieder-
bermsdorf en Drasdorf vindt men grauwe, of
ook witte, kalk-steenen, welke by de laatste
plaats met afbeeldingen van boomen getekend
zyn: by Averswalde ontdekt men zwarte kalk-
steenen, welke deels tot gebouwen, deels om

de

« VorigeDoorgaan »