Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

dige deelen krygen. Eene verzweering, door de spaansche vliegen, in een' tederen lyder

ontstaan, en door den Hr. BOEHMER waargePag. 26. nomen, is ook door hem geneezen. 3. Dat

de fpaansche vliegen zelden van nut zyn in de pokjes; doch hier tegen stryd, dar men de nadeelen, die men van dezelven zou konnen wagten, kan voorkomen door verzagtende, zaure, dranken, en andere middelen, ja dat men voor dezelven niet te vreezen heeft, indien men, den raad van den Hr. BOEHMER volgende, dezelven gebruikt voor de ziekte, -wanneer, deeze zich openbaarende, niet dan de verzweering, tegenwoordig is.

By deeze manier moet men nog daar op let

ten. 1. Dat men de lyders, na derzelver verPag. 22.

fchillende gefteldheid, ook op onderscheide manieren voorbereide. 2. De verzweering open houde, zoo lang de ziekte duurt. 3. De pokjes op de beste wyze, door SYDENHAM, MORTON, BOERHAAVE en andere beschreeven, geneeze en behandele.

en behandele. 4. De verzweering te lang open blyvende, in- en uitwendige zuiverende, afleidende, middelen gebruike. De Hr. Closs heeft de verzweeringen, wanneer die niet wilden luisteren 'na lood-pleisters, geDeezen door de Efentia myrrha, zonder een

loogzout bereid.

X V I t:

CHRISTIAN GOTTLOB JÄNISCH, der Arze. ?

neywilenschaft. Dočtors, Abbandlung von der in den Jabren 1766. und 1767. in Schlesien geberrschten Rind - viehfeuché. Nebit D. FRIEDERICH BÖRNERS Gutachten die abwendung und cur der Horn-vieb - feucbe betreffend. Breslau bey Jobann Friedrich Kora den ältern. 1768. pag. 78.

d. i.

Verhandeling over de besmettende ziek

te, welk in de jaaren 1766. en 1767. in Silefien onder het Rundvee heeft geregeerd, door C. G. JÄNISCH, waar by gevoegd is de gedigte van F. BörNer omtrent de afkeering en geneezing deezer ziekte.

[ocr errors]

te welke zeer veele runderen heeft wech gesleept, waargenomen, en is dus zeer goed inftaat gesteld dit werkje ten nutte van het algemeen bekend te maaken. In den zomer van het jaar 1766. begon dėželve eene verschrikkelyke verwoesting aan te regten, en tegen den herfft woedde sy nog sterker, doch door den winter wierd sy onderdrukt; in het voorjaar van 1767. wakkerde dezelve wederom op

Rr 2

maar

maar wierd in den zomer kragteloofer gemaakt, in den herfst vertoonde sy zich nog, maar is naderhand volkomen verdweenen. Schoon nu tot hier toe geen zeker middel tegen deeze ziekte ontdekt is, moeten egter alle poogingen daar toe aangewend voor zeer nuttig gehouden worden, dewyl men hoop kan hebben, dat men, dezelve zoo nauwkeurig nagegaan wordende, als de ziekten, welke den mensch aantasten, eindelyk haar ook beter zal leeren kennen, en eene goede geneeswyze uitvinden. Uit deezen hoof. de denk ik veelen myner Leezeren geen'ondienst te zullen doen, met het een en ander uit dit

werkje mede te deelen. Pag. 2. Deeze besmettelyke ziekte word niet altyd door

dezelfde toevallen verzeld, maar eenige derzel. ven konnen afwezig, of tegenwoordig zyn, zonder dat het wezenlyke der ziekte daar door veranderd worde. Men heeft opgemerkt, dat dezelve by den tweeden aanval veel kragtelooser geweest is, en ook meer beesten hersteld zyn, áls op het einde van het jaar 1766., waarschynelyk, dewyl door de langheid van tyd veele der schadełyke stoffen, door verscheide wegen, uit het lighaam hebben konnen gebragt wor

den. Het eerste begin der ziekte kan men uit Pag. 3. geene zekere tekenen afneemen; op het schud

den met den kop, van veelen als eene voorbeduiding aangegeeven, kan men zich niet altyd verlaaten, schoon het van eenige beduiding is. By de melk-koeijen is het eerste teken, wanneer fy schielyk, zonder eenige andere oorzaak, ophouden, met de gewoone quantiteit melk te geeven, of op eens, 't geen egter zelden ge. fchied, volkomen daar mede ophouden. Op dien tyd zyn nog geene andere tekenen te be.

mer.

1

merken, dan somtyds eene beeving der leden. Doch, zoo .dra de ziekte toegenomen heeft, Pag. 4. willen fy niet meer eeten, of, zoo sy al iets eeten, herkauwen sy hetzelve niet, doch dagelyks drinken fy nog weinig. De hairen staan in de hoogte, fy schudden dikwils met den kop, en beeven met het geheele lighaam, of ook al. leen maar met de voorpooten. De flagaderen aan den hals kloppen geweldig, sy laaten den kop hangen, en zien'er droevig uit. De oogen zyn vuurig, trąanen, en zien rood; de tong, en keel zyn droog en zwart; de adem is kort en stinkende; ly krygen eenen sterken loop van Pag. si eene dunne, stinkende, groene stoffe, welke in den voortgang der ziekte fomtyds eenigzins geel word; uit den neys loopt veel dikke snot, die dikwils in groote stukken op den grond yalt; uit den mond komt taaye, witte, kwyl, welke met veele poogingen opgebragt word, en overeen komt met water, welk van zeep schuimt, daarop beginnen sy sterk en benauwt te steunen; sy haalen den adem met uitgezette neusgaten; houden den kop in de hoogte, steeken de poren op, welke op dien tyd, zoo wel als de bek, de neus en pogten, zeer koud zyn; het Nikken word hẹn moeyelyk, en drooge zaaken konnen sy in het geheel niet door, krygen; voorheen konden fy nog opstaan, maar nų moeten sy blyven leggen; en, schoon sy alle kragten, die hen nog overig zyn, aanwenden, om op te staan, en de menschen hen zelfs de behulpzaame hand bieden, zoo konnen sy het egter niet verder brengen, dan dat fy zich een weinig omwentelen. Tegen den dood is de tong wit, vuil, gezwollen, en dikwils, met de sprouw bezet; sy snakken in de grootste

be

1

Rr 3

benauwtheid, met een' opgesperden bek en uithangende tong, na versche lūgt; de adem is

veel heeter, en van een vlugger en meer door Pag. 6. dringenden reuk.' Eindelyk openbaaren zich

stuipen, fy slaan met de pooten tegen den grond, sommige werpen zich nog eenige schreeden ver voort, flaan den kop in de hoogte en stooten denzelven, zoo fy nog vast gebonden zyn, dikwils met zoo veel geweld onder de kribbe, dat fy denzelven niet meer terug konnen trekken, deeze stuipen duuren zoo lang, tot dat fy of vry zagt, of door den kop nog eens op te slaan, den geest geeven. Deeze toevallen zyn egter by alle beesten niet te gelyk

tegenwoordig of even sterk. 'Eenige zyn ver. Pag. 7. Itopt, en raaken veele winden kwyt. De koei

jen werpen de kalveren wech, schoon fy gezond worden, en die, welke van geneezende koeijen wech geworpen worden, zyn met de vliefen meestendeels droog. Sommige, en vooral de kalven, knerschen op de tanden, en hebben den bek zoo vast gellooten, dat dezelve niet dan met geweld kan geopend worden; weinige krygen op het einde der ziekte den hik; by veele zwelt de buik voor den dood

zeer sterk; eenige zwellen over het geheele Pag. &. lighaam, of alleen aan de agterste pooten, zoo,

dat sy moeten blyven leggen. De geduurzaamheid der ziekte is ook zeer verschillende. Op het einde van het jaar 1766. Aierven de meeste tusschen den vierden en vyfden dag, weinige beleefden den zevenden of negenden, en in 1767. wierden weinige binnen eenen zoo korten tyd wech gesleept, dikwils hebben sy veertien dagen dus doorgebragt. Hoewel sommige in het leeven blyven, heeft men egter

altyd

1

« VorigeDoorgaan »