Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

de grootste nauwkeurigheid, wierden een agt-
ste gedeelte langer gevonden. De Hr. Mon-
NIER, begrypende, dat de oorzaak daar van
aan de hitte niet kon worden toegeschreeven,
meent, dat dezelve moet gezogt worden in het
weinige vogt, welk in het hout was overge-
bleeven, en door de oppervlakte van het hout,
met oly-verf bestreeken, niet konnende door-
dringen, eenen uitgang heeft moeten zoeken
aan het einde der maatstokken langs den loop
der vezelen, en dezelven daar door eenigzins

in de lengtte uitgerekt heeft. Pag. 27.

4. Wanneer den zeventienden December 1760. negen werklieden werkten in eene koolmyn, hield een derzelven zich op in eene plaats, welke bevatte al 't water, 't geen by een' voorgaanden arbeid vergaderd was,

en waar van men geene kennis had; het water schoot met zoo veel geweld uit deeze plaats, dat niet meer dan twee derzelven het gevaar konden ontkomen, terwyl de zeven overige door het water wech gesleept wierden. Een derzelven, oud dertig jaaren, was gelukkig genoeg den dood te ontkomen, en eene hooge plaats te konnen bereiken. Het water eindelyk wechgelopen zynde, bevondt hy zich tusschen veele stukken, die met het water waren wechgesleept; fyne klederen waren nat, de negte lugt was hem zeer hinderlyk, en hy had veel geleden door de lighamen, met welke hy door het water was voort gesleept; dit alles belette hem niet, dikwils, en hard te schreeuwen, doch zonder nut. Hy raakte door vermoeidheid in slaap, en bevondt, wakker wordende, dat fyne kleederen droog waren, doch hy had gee. nen voorraad, behalven vier kaarsen, die in sy.

nen

.

1

nen zak staaken, en waar van hy geen gebruik maakte, zoo lang hy zich in dit hol ophield" hebbende, schoon hem zeer hongerde, niet konnen overwinnen den tegenzin, welken hy had, om dit lelyke vet te eeten.

Geduurende negen dagen gebruikte hy niets anders, dan driemaal van het water. Dikwils ging hy van deeze paats, en schreeuwde, doch zonder gehoord teworden; dikwils viel hy in slaap, en hy oordeelde den meesten tyd geslaapen te hebben. Syne makkers, die meenden, dat sy alle omgekomen waren, deeden geene moeite om na hun te zoeken, doch den 26. zogten fy de lyken, de man hoorde het geluid daar van, en schreeuw. de daar op zeer sterk. Na eenigen tyd wierd hy 'uit deeze gevangenis gehaald; hy kon de lugt toen zonder eenig ongemak verdragen, doch was in ses dagen buiten staat te slaapen, en eerst na verloop van twintig dagen kreeg hy, door behoorlyke voedsels, genoegzaame kragten, dat hy naar syn huis gaan kon.

:s. Den twaalfden November 1761. even na Pag. 28. vier uuren des morgens wierd te Villefranche in Becujolois, te Dyon in Bourgogne, te Parys, en te Ham in Picardie, een vuurig lugt-verschynfel gezien, welk door de lugt ging, in de gedaante van een vuurige bal, en, zich eenigen tyd dus vertoont hebbende, die van eene halve ton aannam, zynde met eenen langen vuurigen staart voorzien. Deeze bal berfte open by Dyon met een verschrikkelyk geluid, welk de huilen deed schudden; ook kwamen uit denzelven ontelbaare vlammetjes, waar door egter geen brand verwekt wierd.

6. De Academie heeft van den Abt. BACHE. Pag. 30. LEĽ, Correspondent van de Academie, gekree.

gen

[ocr errors]
[ocr errors]

gen eene verzameling van gegraave lighamen, welke voorheen in de zee gewoont hebben. Men kan zien, dat dezelven eerst met eene mergel-aarde overtogen zyn, welke vervolgens in eenen keyfteen is overgegaan. De Hr. BA- . CHELEY had deeze verzameling gemaakt, om fyne onderstelling te bevestigen, dat alle key. steenen gebooren worden uit eene mergel-aa-de door een zuur, welk hy meent in deere gegraave lighamen door de zee - lighaamen geko

men te zyn. Paz. 31. 7. De Academie heeft insgelyks eenig ver

Iteent hout gekreegen, niet verre van Mantesur-Seine.

8. De Hr. CONDAMINE heeft aan haar getoont zeer witte Amianthus, gevonden op het gebergte van Tarentasia.

De volgende ontleedkundige Waarneemingen worden in dit deel medegedeeld.

1. Den 28. Juny 1758. wierd eene vrouw te Nimes door den blixem geslagen, en gedool. Dewyl haare kleur niets veranderde, en men geen eenig teken van den slag kon bemerken, oordeelde men, dat sy nog zou konnen gehol. pen worden, en riep den Hr. Razoux, Ge neesheer van l'Hotel Dieu te Nimes, en Cor. respondent van de Academie. Hy kon haar niet zien, dan een uur na het toeval; sy was geenzins zwart, en had haare natuurlyke kleur behouden, de lippen waren alleen een weinig paersch, en men zag agter. in den nek, dat het hair gebrant was, en de huid eenigzins ge rimpelt. Sy had het hoofd naar beneden gebr. gen, wanneer fy door den blixem getroffin

Pag. 33

wied,

1

[ocr errors][merged small]

wierd. De Hr. Razoux liet eene ader openen,
het bloed sprong eenen halven voet ver, doch
zulks duurde niet lang, en nauwelyks kwam 'er
dus een once te voorschyn (*).

2. Dezelfde Heer, Razoux, heeft aan de A- Fag. 54.
cademie de volgende Waarneeming gezonden,
welke fy, wegens haare nuttigheid omstandig
heeft medegedeeld. . Eene vryster van drie- en
twintig jaaren was zederd eenigen tyd zieke.
lyk, sy vermagerde van dag tot dag, had vlie.
gende pynen in de leden, was, zonder eenige
oorzaak, veelal zeer vermoeid, kreeg zinkin-
gen op de tanden en het aangezicht, en was
ook dikwils met verkoudheden geplaagd. In
de maand Mey 1758. had fy eenen aanhouden-
den hoeft, verzeld met zwaare pyn in de keel
en eene heete koorts, welke tegen den avond
zich verhief. Deeze toevallen verminderden
na het gebruik van de genees - middelen, en
geiten-melk, haar door den Hr. Razoux voor-
geschreeven, de lyderesse herstelde tamelyk wel,
en behalven de pynelyke vermoeidheden, die
zich van tyd tot tyd openbaarden , genood sy,
ten minsten voor het uiterlyke, eene vry goe-
de gezondheid, tot in de lente van het volgen.

[ocr errors]
[ocr errors]

de

[ocr errors]

(*) By andere gelegenheden heb ik eenige zonderlinge uitwerkingen van den blixem op hec menschelyk lighaam aangehaald (Zie deeze Bibliotbeek, II, D. 2. St. pag. 282. III. D. 4. St. pag. 848.) Deeze voorbeelden zouden door verscheide andere konnen vermeerderd worden, doch voor het tegen. woordige zy het genoeg den Leezer geweezen te hebben tot twee Verhandelingen, de eene te Straatsburg in 1705. verdeedigd door J. G. VOLLMAR, de fulminė tactis; en de andere onder voorzittinge van den Hooggel. Hr. BUCHNER ID 1706. verdeedigd; door C. F. HOFFMANN de morte in fulmine tactis.

[ocr errors]

de jaar 1759. wanneer de ziekte zich met alle kragt openbaarde, en de Hr. Razoux geroepen wierd. Hy vondt, dat fy een der kwaadaartig. ste verzweeringen aan de bovenste lip had, wel ke door de scheurbuik was ontstaan; de randen waren wit, vereelt, en zelfs kankeragtig; de stoffe, die uit dezelve kwam, was zeer stinkende, en de lip was meer, dan een duim dik: eene andere verzweering van denzelfden aart was aan de onderste lip, doch deeze was niet zoo groot. Het tandvleesch was zagt, bleek, hier en daar paersch, en bloedende; drie tanden waren byna van zelve in de kasjes los gegaan.

In den mond en keel waren verscheide zweeren; het lighaam was bedekt met blauwe, poode; en bruine vlakken. De lydereffe had eene geringe koorts, welke zich alle avond ver. hief, en dan door eene sterke huivering wierd vooraf gegaan. Sy voelde kort daarna gewel. dige pynen in het merg der beenderen, welke haar geheel en al lam maakten. Op het scheenbeen en den voor-arm kwamen uitwassen van bet been, welke zoo groot waren als de halve dop van eene noot, de plaats, alwaar dezelven gezien wierden, was zeer pynelyk, schoon sy niets scheen in kleur veranderd te zyn. Het bloed, welk afgetapt was, ging over in een zwartagtig, dik, vlies, welk in heldere wey dreef. Alle inwendige en uitwendige middelen wierden vrugteloos gebruikt, tot dat de Hr. DE SAUVAGES, zich te Nimes bevindende, den Hr. Razoux raadde, niets anders te gebruiken, dan een afkooksel van het bitterzoet (folanum scandens , dulcamara), welk LINNÆUS hem geschreeven had, een onfeilbaar middel te zyn tegen soortgelyke ongemakken, uit de scheur

« VorigeDoorgaan »