Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

standvastig was geweest, en dat sy ook niet zoo volkomen geneezen was,

als fy gedagt hadden. De beenen begonnen omtrent de enklauwen weder te zwellen , de stonden waren niet natuurlyk noch in quantiteit noch in gedaante, en de maag wierp wederom alle spysen, behal. ven brood en water , uit. Door den tyd verdweenen egter alle deze ongemakken zonder eenige geneesmiddelen, en fy genas volkomen. Op het einde van het jaar 1761. was sy volmaakt gezond, en had zederd een geheel jaar

geen ongemak gehad. Pag 62. Drie Scheikundige waarneemingen worden in

dit deel gevonden.

[ocr errors]

1. De Heer HELLOT, het butyrum Antimonii met twee deelen van den mercurius sublimatus corrosivus. en een deel antimonium gemaakt hebbende, goot op zeven dragmen en een half van dit butyrum, door de vogtigheid van de lugt gesmolten, agt oncen

over

mensch, de oogen zagen levendig uit, de pols was geregeld en vry sterk. Intusschen at en dronk sy niers, dan koud water, in den beginne zeer wynig, en, wanneer de geneesheer haar zeer dun Kalfsnat had gegeeven, om haar te bedriegen, bedroog. hy haar ook waarlyk, maar de maag kon hetzelve niet verdraagen, en sy braakte het nat met zulke geweldige stuipen wederom uit, dat sy eene zwaare koorts kreeg. Na eenigen tyd begon sy te spreeken, wanneer fy, van dorst versmagtende, drinken wilde vraagen, en naderhand heeft sy de spraak ook niet verlooren, allengskens kreeg fy ook weder het gebruik van de armen en beenen, en den trek tot eeten , na dat zich de stonden geopenbaard hadden, hebbende vier jaaren lang geen ander voedsel gebruikt, dan koud water.

[ocr errors][ocr errors]

overgehaalden brandewyn, en kreeg dus een
mengsel, welk na drie uuren dik wierd, en byna
in een vast lighaam veranderde, doch door eene
geringe hitte wederom kon gesmolten worden.

2. Dezelfde Heer heeft aan de Academie me.
degedeeld eene geheim gehoude famenstelling
van het vernis, waar mede de Engelschen ze.
derd langen tyd aan het zilver en koper hebben
weeten te geeven de kleur van goud. Hetzel-
ve word bereid uit twee oncen gummi lacca,
twee oncen geele succinum, veertig greinen
draakenbloed in korrels, en een half dragma saf.
fraan, welke zaaken alle op de gewoone wyze
in veertig oncen brandewyn worden getrokken.
Dit vernis word op het zilver of koper ge-
smeerd, wanneer het warm gemaakt is, en het
metaal, dus verguld, word gemakkelyk met
lauw water gezuivert, wanneer het onzuiver
geworden is.

3. De Hr. Cadet heeft de lava, of de stof. Pag. 63.
fe, welke uit den brandenden Vesuvius komt,
scheikundig onderzogt, en gevonden , dat de.
zelve bestaat uit yzer, een weinig koper,
aluinagtige aarde, en eene andere aarde, welke
in glas overgaat, en, met het acidum vitriolicum

,
vereenigt, vezelagtige cryftallen maakt. Men
kan daar uit besluiten, dat in den berg zyn vee-
le pyritæ vitriolicæ , aluminofæ , met veel zwavel
bezwangert , en dat, door de kragt van het
vuur de zwavel daar afgezonderd zynde, het
yzer, koper, en beide soorten van aarden ge.
smolten zyn, en gemaakt hebben eene foort van
ondoorschynend glas, door middel van de quarz,
welke daar in bevat was, en waar van men
nog eenige blyken in de lava vindt. Uit deeze
samenstelling van de lava zoude men ook kon-
V. Deel 4. Stuk. Aaa

pen

nen trekken eene vry waerschynelyke oorzaak van den brand van deeze stoffe, dewyl het uit de proef van den Heere HOMBERG, verhaald in de verhandelingen voor den jaare 1700, blykt, dat zwavel en yzer met elkander vermengt, en eenigzins bevogtigt , van zelve konnen in brand raaken, schoon sy onder den grond tot eene zekere diepte zyn. Het yzer en de zwavel hebben niet ontbrooken in de hollen, waar uit de lava gekomen is, en dus word 'er niets anders vereischt, dạn eene genoegzaame quantiteit water, om deeze stoffe in brand te helpen, welk water door verscheide natuurlyke oorzaa. ken daar by komen kan.

Uit een groot getal Verhandelingen, in dit deel geplaatst, behooren de volgende alleen tot ons oogmerk.

[ocr errors]

Pag, 58. Beschryving der spieragtige lagen, waar uit de

vleeschagtige rok van de maag der menschen is famengesteld; door den Hr. BERTIN.

De Schryver heeft in deezen rok, welke de Ontleed - kundige voorheen geleerd hebben, alleen uit twee lagen te bestaan, drie derzelven waargenomen, 200 dat tusschen den binnensten van de twee, welke kringswyze vezelen heeft, en tusschen den zenuwagtigen rok, een derde gevonden word, welke zich uitstrekt van de linker opening van de maag tot de kleine kromte, die daar door of in het geheel niet , of alleen maar voor een gedeelte bekleed word. Daar nu de beschryving, welke de Hr. BERTIN geeft van den spier. agtigen rok van de maag , niet verschilt van die, welke door den Hooggel. Hr. HALLER is medegedeeld in primis lineis Physiologie, en men

daar

daarom zoude konnen denken, dat hy zich de
eer van eene uitvinding, die aan eenen anderen
toekwam, zoude willen aanmatigen, zegt hy,
dat hy reeds in den jaare 1746. wanneer hy, in
de vergadering van de Academie, over de maag
der paerden eene verhandeling voorlas, deeze
ontdekking gemaakt heeft, gelyk de Academie
zoude konnen getuigen, terwyl de Hr. HALLER
fyne ontdekking eerst in het jaar 1751. heeft
bekend gemaakt. De Hr. BERTIN, en de Histo-
rię - schryver van de Academie, die fyn zeggen
bevestige, verdienen hier in gelooft te worden,
doch men moet, op dat de Hr. HALLER niet
verdagt fchyne, fyne beschryving van BERTIN
ontleent te hebben, den Leezer te gelyk herin-
neren, dat de eerste uitgaave van fyne primæ
lineæ Physiologia reeds in 1747. het licht gezien
heeft, en dat daar in het maaksel van de maag
reeds dus beschreeven word, terwyl het deel
van de Verhandelingen van deeze Academie,
waar in die van den Hr. BERTIN over de maag
der paerden gevonden word, niet voor het jaar
1751. waereldkundig gemaakt is.

[ocr errors][ocr errors]

Verhandeling over eenige gebreeken der pis - wegen Pag. 115.
en teeldeelen in drie mannelyke onderwerpen waar-
genomen; door den Hr. Tenon. Blasius spreekt
in fyne Geneeskundige waarneemingen van een
man van vyf- en dertig jaaren, die geene blaas
had, maar by wien de pis-leiders, die zeer groot
waren, zich samen voegden omtrent den fchaam,

,
van waar sy te samen naar boven liepen, en
eindigden in eene kleine opening, waar uit de
pis nagt en dag liep. LEMËRY deelde in 17411
aan de Academie van Parys mede de Waarnee-

Ааа 2

ming

ming van een meisje, waar aan men geene teeldeelen ontdekte, en dat alleen onder den navel een groot gezwel had, welk, even als een gieter, met oneindig veele gaatjes doorboord was, en waar uit de pis liep. Men vindt dit geval niet in het werk van deeze Academie, maar hetzelve is aan den Schryver door den Hr. Fouchy verhaalt. De Waarneemingen, door den Hr. TENON in deeze verhande. ling medegedeeld, zyn gemaakt op twee lyken van kinderen, welke hy heeft ontleed, en op een volwassen mensch, welk nog leeft, en door hem aan de Academie vertoont is.

Het eerste van deeze kinderen, twee maanden oud, had eene gelloote roede, welke aan het einde verdeeld was als in twee hoofden, waar van het eene door de corpora cavernosa ,, en het andere door den glans gemaakt wierd. Aan den wortel van de roede ontdekte men in eene langwerpige diepte, even boven de schaam- . beenderen, een vliesagtig lighaam, zoo groot als eene moer-bezie. Twee leinen boven dit lighaam was eene verhevenheid in de huid, 200 groot, als een erwt, en aan beide zyden waren twee gezwellen, welke de liefschen en langwerpige diepte bepaalden. De balzak, ballen, en zaadvaten waren in den natuurlyken staat; doch de vasa deferentia eindigden afzonderlyk op den grond van het bekken in cwee witte verhevenheden, zonder dat sy eenige gemeen fchap scheenen te hebben met de deelen,

die naar buiten gaan. Dit laatste ontdekte hy by het openen van den buik. Op den 'zelfden tyd bragt hy lugt in de twee pis-leiders beneden de nieren , en zag, dat dezelve kwam uit twee gaatjes, gelegen het eene aan de eene, en

het

[ocr errors]
« VorigeDoorgaan »