Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

ren.

ten ,

wanneer de pols byna zoo traag of ook traager is, dan in een' natuurlyken staat, dezelve altyd ongeregeld of ongelyk is, zoo wel in sterkte, als in den tyd tusschen elken slag. Word dezelve rasser, dan verminderd de ongelykheid, en als dezelve zeer ras is, dan is die ook meest al gelyk en geregeld.

Verder dient opgemerkt te worden, dat , fchoon in het tweede tyd-perk de pols veel trager word, dan dezelve te vooren was, de hitte van de huid egter blyft aan houden, ja somtyds toeneemd. Uit deeze veranderingen van de pols kan men de zekerste tekenen van de ziekte afneemen.

Geduurende dit tweede tyd. perk blyven de meeste toevallen van het eerste tyd-perk duu

De lyders zyn buiten staat om op te zit

schoon sy in het algemeen weinig slaaPag. 18. pen, tot op het einde van deezen tyd, wan

neer sy slaaperig worden. Sy steunen sterk, doch konnen niet zeggen, wat 'er aan ontbreekt. De oogen zyn dikwils naar den neus gekeerd, of sy zien scheel, en somtyds klaagen fy, dat de voorwerpen hun dubbeld schynen te zyn. Eenige worden op het einde van dit tyd.perk ylhoofdig, en schreeuwen, als of sy zeer verschrikt waren. Omtrent deezen tyd of laater loosen sy dikwils wormen, of eene stoffe , gelykende naar dezelven, doch van deeze ontlasting hebben sy geene verligting. De pis verschild zoo wel in dit tyd-perk, als in de andere, dikwils heeft dezelve een sterk grondzetzel, en somtyds in het geheel geen, maar doorgaans is hetzelve gering, en heeft eene

witte kleur. In verscheide heeft de pis een Pag 19. sedimentum furfuraceum gehad tot op weinige dagen voor den dood. De adem heeft in dit en

[ocr errors]

و

[ocr errors]

vooral in het volgende tyd-perk zulk eenen le. lyken stank, dat Whytt niet weet denzelven in eenige andere ziekte te hebben waargeno: men. Op deezen tyd, en ook geduurende het eerste tyd-perk zyn de lyders dikwils sommige dagen, of gedeeltens der dagen, gemakkelyker, dan anders.

Wanneer de pols wederom rasser, als in eene koorts, en te gelyk gelyker , word, dan kan men zeggen, dat het derde tyd.perk begind. Deeze verandering in de pols bemerkt men vyf, ses, of zeven dagen voor den dood. In twee lyders wierd de pols niet rasser, dan alleen twee dagen voor hun overlyden, en in twee andere was dezelve reeds raffer, negen of tien dagen Pag. 20, voor dien tyd. Gelyk nu de tyd van deeze verandering in de pols verschilt in onderschei. de lyders, zoo is het ook gelegen men den graad yan rasheid. In fommige klimt dezelve op van zeventig, tagtig, of negentig slagen in ee. ne minuut , tot honderd- en twintig, honderden vyftig, honderd- en zeventig, ja tot by de twee honderd , eer sy sterven. In eenige is deeze verandering zeer schielyk, op eenen dag van honderd tot honderd en vyftig slagen. In dit laatste tyd-perk, wanneer de pols rasser is, blyft dezelve niet altyd even eens, maar is somtyds voor een gedeelte van den dag veel traager, dan geduurende het overige. De pols flaat gemeenlyk ook sterker op den dag van den dood, dan eenigen tyd te vooren. In eenen lyder telde de Schryver twee honderd- en tien flagen in eene minuut, en nooit heeft hy 'er een aan deeze ziekte zien sterven, wiens pols niet byna honderd. en dertig reisen floeg in dien tyd, De lyder word dan ook flaaperig; wanneer hy Pag. 21, Ddd %

wak;

[ocr errors]

wakker word gemaakt , brengt hy alleenlyk eenige weinige woorden voort, die niet samen hangen, en hy schynt ongevoelig te zyn. De tyd, op welken dit coma begind, is onzeker, somtyds openbaard zich dit toeval reeds op het einde van het tweede tyd-perk, eer de pols we. derom rasser word, maar in weinige gevallen heeft de Schryver deeze rasheid van pols waargenomen voor de slaperigheid.

Doorgaans verliest het eene ooglid de beweeging, en vervolgens word het tweede ook lam. Omtrent deezen tyd, of liever vroeger, trekt zich de oog-appel van het eene of van beide de oogen niet meer toe, en blyft verwyderd, zelfs by het sterkste licht. Doch de tyd van dit toe. val is zeer onderscheiden ; in sommige gebeurt dit vyf, ses, of zeven dagen, in andere niet meer, dan twee of drie dagen voor den dood. Drie of vier dagen voor het overlyden van een jongetje van vyf jaaren vondt de Schryver de oog-appelen, welke voorheen zeer verwyderd

waren, niet wyder, dan natuurlyk is ; in het Pag. 22. eerst verbeelde hy zich, dat de ziekte eenen

keer ten goeden had genomen, doch, korten tyd daarna , wanneer aan het kind gegeeven wierd eene lepel vol Nap caneel-water, met eenige droppelen van den Spiritus volatilis oleofus, wierden sy wederom zoo wyd, als sy 's daags te vooren geweest waren. In minder dan een half uur daar na trokken fy zich wederom te famen, maar verwyderden zich ook aanstonds, wanneer de geest van ammoniakzout onder den neus gehouden wierd. Naderhand heeft hy dezelfde veranderingen waargenomen in de oogappelen van een kind van vier jaaren op den derden dag voor fynen dood. In dit geval wier

den

[ocr errors]

den de oog-appelen niet alleen verwyderd, wanneer men hetzelve eene lepel vol wyn gaf, of vlugge geesten onder den neus hield , maar ook door eene zeer geringe prikkeling, door het opligten van de oogleden, welke alle beweeging verloren hadden, en zoo laag neêr gezakt waren, fy

dat sy omtrent de helft der oogen bedek. ten. Eer fy het coma kreegen, klaagden fy dikwils, dat fy vreemde en verschrikkelyke voorwerpen zagen. Een of twee dagen voor den dood was de tunica conjunctiva van een of bei- Pag 23. de oogen ontstooken, doch sy hebben eenige dagen hun gehoor behouden , na dat sy blind

waren.

[ocr errors]
[ocr errors]

Men neemt in dit tyd-perk somtyds waar, dat de kinderen geduurig de hand naar het hoofd brengen, en in het algemeen geplaagt zyn met stuipen in de spieren der armen, beenen, of het aangezicht, gelyk ook met eene peeshuppelingen. In een meisje van dertien jaaren waren de handen sterk naar binnen geboogen door eene bepaalde kramptrekking van derzelver spieren. Een jongen van feftien jaaren, die in fyne gezondheid aan stuipen was onderworpen geweest, begon op het einde van het tweede tyd-perk aangedaan te worden eens of tweemaal's daags met de kramp in de armen, welke naar de keel opklom, en hem het spreeken dikwils voor eenige minuuten belette. Een der wangen wierd twee of driemaal op een dag warm en rood, terwyl de andere met de lippen bleek, en koud bleef. Dit openbaarde zich twee, drie, of vier dagen voor den dood. In eenen jongen van vyf jaaren wierd de eene zyde van beide de armen dikwils rood, terwyl de andere zyde nooit van kleur veranderde.

Na

Ddd 3

Na den dood waren de armen en borst purperkleurig. Een raakte, vier dagen voor fyn overlyden, vier oncen bloed kwyt uit den neus. Sy, die te voren hardlyvig waren geweest, kreegen dikwils veele ontlastingen in het derde tydperk, en klaagden over buikpynen Twee da

. ģen voor den dood flikten de lyders met moeite, of in het geheel niet. Eindelyk wierd de ademhaaling veel raffer en moeyelyker; in fommige wierd na elke uitademing eene aanmerkelyke tusschentyd waargenomen. Deeze foort van ademhaaling heeft de Schryver ook waargenomen in menscheři, gestorven aan eene beroerte, ontstaande door eene opstopping van water.

By het openen der hoofden van tien deezer lyders, by welken de Hr. Whytt verzameld heeft de bovengenoemde toevallen, heeft hy in alle gevonden, een helder dun vogt in de

voorste holligheden der hersenen, onder het Pag. 25. eeltagtig lighaam. Doorgaans was het zelfde

soort van vogt in de derde en vierde 'holligheid, doch' of dit altyd zoo zy, kan hy niet verzekeren, als op deeze omstandigheid niet behoorlyk gelet hebbende. Nooit heeft hy wa. ter gevonden tusschen het dikke herssenvlies en de herffenen, tusschen de hemisphæria derzelven, of op het eeltagtig lighaam. Schoon de twee voorste holligheden met elkander fchynen gemeenschap te hebben, heeft hy egter in twee gevallen een derzelven zeer uitgezet gevonden, terwyl de andere zeer weinig vogt bevatte.

De quàntiteit van het water, in de hollighè. den der hersenen bevat, was doorgaans van twee tot vyf oncen; doch in een geval heeft men agt oncen gevonden. Dit vogt stremd

« VorigeDoorgaan »