Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

de oog-appel gemeenlyk verlamt, en dikwil gescheurt.

[ocr errors]

Pag. 274. Ter wechneeminge van vlakken in het door

fchynende hoorn-vlies heeft hy met nut den lapis infernalis gebruikt; en de oogleden tegen derizelven bewaart, door het volgende zalfje, R. ung. de tut. dr. iij. Pulu. gum. Arab. dr. jß. waar van hy alle uur met een penseel een weimig in de oogen liet smeeren. Met denzelfden

steen heeft hy een staphyloma doen verdwynen, Pag. 276. Na de pokken en mazelen; ontstaan fomtyds

kleine witte vlakken op de oogen, welke in de midden eenigzins diep, en rondom zoo ontftoo. ken zyn, dat de lyder de oogen niet kan ope. nen, zonder van het licht de zwaarste pynen te lyden. Deeze toevallen konnen alleenlyk ge. neezen worden door een behoorlyk gebruik van den mercurius dulcis, en het oogwater of de zalf van SLOANE, ja somtyds alleen door het smeeren van Nangen-vet. Somtyds heeft men

noodig, eenige vaatjes door te snyden, welke Pag. 279. na de vlakjes loopen. De Opiaat-middelen zyn

by de oog-middelen van veel nut. . Als men het slangen-vet niet onvervalfcht kan bekomen, kan men het merg uit de beenderen der die. ren en menfchen tot hetzelfde oogmerk gebruiken. Het gebruik van den mercurius dulcis in oog-ontsteekingen , voornamentlyk in die, welke uit eene venerische oorzaak voortspruiten, is reeds voor lang bekend, doch tegen

de vlakken der oogen is hetzelve nog niet zoo Pag. 280 dikwils, als het verdiende, gebruikt. De ont

binding van den Merc. subl. corrosivus is niet zoo kragtig.... In gevallen, waar in het hoorn

[ocr errors]
[ocr errors]

vlies ondoorschýnend geworden is, na flegte samenvloeijende pokķen, heeft hy de lyders

Pag. 283. door de kwyling geneezen. Als de vlakken gering zyn, blaast men Canarie-suiker in de oogen, doch dit brengt niet zoo veel voordeel aan, dan wanneer een gezond mensch met de tong het oog likt, en daar door kan men in den tyd van ses weeken niet alleen zwaare ontsteekingen, maar ook vry groote vlakken wechneemen.

[ocr errors]

7

Het volgende artykel behelft de aanmerking Pag. 285. van eene vrouw van festig jaaren, welke ge. duurende de helft van haar leven ziek en bedlegerig is geweest. Geduurende den tyd, dat fy had te bed gelegen, had sy grootendeels geleefd van taback en brandewyn, tot den dag op welken fy zeer schielyk stierf. Het lyk openende vondt men de maag samengetrokken, de lever zeer groot, en byna geheel verhard; in de galblaas drie groote steenen, en geen gal; de ductus cysticus zeer klein, de hepaticus in tegendeel tweemaal zoo groot, als natuurlyk is; in de flinker holligheid van de borst veel water, de longen boven aan het borstvlies met veele vezelen vereenigt, inwendig Zeer verhard; de regter holligheid van het hart byna de helft kleiner, als de Ninker; de groote Nagader tweemaal zoo groot, als natuurlyk is doch onder het middenrif zeer verhard, eens zoo klein, dan na gewoonte, en dus! ontaart tot aan de arteriæ popliteæ; de takken, die uit de Aörta kwamen, waren niet verhard, behalven de Iliacæ interne.

sommige andere flagaderen waren 'eenige verhardingen; boven

[ocr errors]

In

F 4

uit

[ocr errors]

uit de Aörta kwamen vier takken, dewyl de truncus innominatus niet tegenwoordig was. Na de finker nier' liepen twee slagaderen. De mile was kankeragtig, hard, zeer klein, en door insnydingen aan de randen, in drie of vier stukken verdeeld; de lever was zoo wel boven aan het middenrif, als ook van onderen met het colon veteenigt, en de dunne darmen ins: gelyks op verscheide: ' plaatsen samengegroeit. De meeste spieren aan de dey en het been wą: ren aan een gegroeit, en tot de beweeging onnut; de geledingen van de knien waren eenigžins ontaart, en alle beenderen van het been hadden nauwelyks een derde van de natuurlyké zwaarte; ook waren dezelven zeer dun, doorfchynende, en zoo zwak, dat het eene been, door hetzelve te beweegen, zeer ligt brak.

Aan de armen waren de beenderen dik en vast. Pag. 290. De stoffe, welke de verharding in de vaten

veroorzaakt had, was meer steen- als been

agtig; en de Schryver gelooft, 'dat de meeste Pag. 293 verhardingen der vaten steen-agtig zyn. In

lyken, waar in de longen zeer verhard waren, heeft de Schryver de regter holligheid van het hart eens zoo wyd, als de Ninker gevonden.

Pag. 296. Aanmerķelyk insgelyks is het geen by in het

lyk van een' man, voornamentlyk aan eene verzweering in de lever gestorven, gevonden heeft. By het openen van den buik, sprong veel geel water met gal vermengt uita denzel

ven; het net was nauwelyks tė bemerken; de Pag. 298. dunne darmen samengegroeit, en met eene

geele taaye flym bedekt; de dikke darmen waren met soortgelyke Iym overtqogen. De lever

was

[ocr errors]

was geheel ontaart; ván boven was' sy aan het middenrif, van onderen aan den twaalf-vingerigen en kartel - darm gegroeit, byna eens zoo groot, als natuurlyk is, strekkende zich tot aan de milt en navel uit. De regter lobbe was geheel verteert, en met oneindig veele, meer dan 600., water-blaasjes gevult, sommigen van deezen waren zoo groot; als een hoener; anderen als een duiven-ey, de kleinste, als een erwt. Derzelver vlieten waren zeer dun, en 't geen daar in bevat was, als het water van het bloed, doch een weinig taayer. Uit alles bleek, dat 'er eene groote verzweering in de lever moest geweest zyn, waar uit het vogt zich in den buik had uitgestort, en de gal, als ook de Nym, waar mede de darmen bedekt waren, gekomen was. Uit de tegenwoordigheid der, waterblaasjes was duidelyk af te neemen, dat de verzweering vry oud was, schoon de lyder daar van, wegens het geringe gevoel der lever, weinig ongemak gehad had. De galblaas was Pag: 390. famen gegroeit. In de Capsula Gliffoniż waren veele verharde klieren, en aldaar waren de dee. len wonderlyk samen vereenigt. De regter long was aan het borst-vlies gegroeit, van onderen verhard. De flinker holligheid van het hart, en de groote slagader was, tot derzelver verdeeling in den buik, samen getrokken. In de régter bolligheid van het hart, en in de bovenste en onderste holle - ader waren nauwelyks agt oncen Pag. 301. bloed. De water - blaasjes zyn, volgens de ge. dagte van den Schryver, ontstaan door eene ophooping der vogten in de water - Vaten, welke gedrukt zyn. Hy heeft water-blaasjes zien komen uit de boyenste regter holligheid van de

F 5

kaak,

[ocr errors]

kaak, zynde de eene kies geheel hol en verteert; de lyder klaagde over eene drukkende en knagende pyn, welke veroorzaakte, dat hy de kies liet uittrekken, waarop veel etter en wa. ter - blaasjes uit de holligheid van de kaak volgde.

[ocr errors]
[ocr errors]

Pag. 305

In een kind yan agt of tien weeken heeft de Schryver den rugge-graat gespleeten gevonden; hy wierd daar by geroepen, om de operatie welke een onkundige daar op wilde verrigten, by te woonen. Hy raadde dezelve af, om dat die door eenen onvermydelyken dood moest gevolgd worden. Men leide een zagt compres op het gezwel, en deed daar over eenen zwagtel. Het kind verergerde van tyd tot tyd, en

stierf eindelyk; hy opende hetzelve na den dood, Pag. 308. en liet het gebrek uittekenen. Het zelve word

volgens syne gedagte gebooren, door eene kwaa

de legging van het kind in de baarmoeder. Pag. 313

Dit deel word beslooten met de beschryving van eene wanstaltige vrugt, welke met een wel gemaakt kind, omtrent in de sesde maand, dood ter waereld kwam. Het hoofd alleen was tégennatuurlyk, de neus ontbrak, en in plaatse van denzelven zat een groot oog, waar aan de oogleden en traanwegen ontbraken. De oogappel was in de midden; de regenboog scheen uit twee deelen samengesteld te zyn. Boven dit oog onder aan het voorhoofds-been was een lang buisje, welk omtrent vier leinen breed was, van vooren open, doch van agteren gefooten. De oogbol bestondt uit even veel vliesen, als gewoonlyk. De spieren van het oog waren niet wel van een te scheiden. De

gezicht

« VorigeDoorgaan »