Pagina-afbeeldingen
PDF

DE NAVORSCHER

EEN MIDDEL TOT GEDACHTEWISSELING
EN LETTERKUNDIG VERKEER,
TUSSCHEN ALLEN DIE IETS WETEN, IETS TE VRAGEN HEBBEN,
OF IETS KUNNEN OPLOSSEN.

[merged small][merged small][merged small][ocr errors][ocr errors][merged small]
[ocr errors][merged small][ocr errors]

GESCHIEDENIS.

Almeri (vgl. XV. bl. 108, 225, 289, 358.) De meeningen omtrent de ligging van dit meer zijn zeer verschillend. Niet alleen de Alkmaarder meer en de Zuiderzee, maar ook de Haarlemer meer wordt voor genoemde meer opgegeven. Alkmaar zoude volgens sommigen afgeleid zijn van Almeri. Wij vinden echter in de Saanlandsche Arcadia door H. Soeteboom: » want wie sal daer aen twyffelen, of de nacm Alckmaer is gekomen uyt de menichte der meren die'er om en bij gelegen sijn. Daer is in 't geheel Neder-lant geen stadt so van poelen, braeken, polders, en meeren omhelst als dese, die'er geheel in 't midden leit, van welke eenige ruim twintigh and're meer als dertigh tellen, soo groote als kleine, van dese syn de Schermer, Beemster, Purmer, Waert, Wormer meren de grootste wel, nevens de Zyp aen d' ander sy van de stadt, daerom is sy outstyds na de veelvuldige meeren en wateringen Almeer genaemt geworden, of oock Alecmeer" enz.

C. Tan Der Woüdk zegt in zijn Kronyck van Alckmaar >>als Alckmaer deur al de Meeren ende Wateren."

«Soo heeft hy (Prince Adgildu9) dit Altena met eenen wal doen omringen, ende haer makende na de forme (soo den geleerden Petrus Nannius in syn Miscellaneis seydt) van een heyrleger" en verder »ende veranderende haren naem, noemende haer Almeer, ende dat (soo den geleerden Hadrianus JUNIDS ende andere vermelden) na alle de Meeren, daer sy doen ter tydt in besingelt lach, die nu meest alle te samen bedyekt syn, ten minsten wel 40, 41 ofte 42 in 't getal." ].," ', ..

Van Der Woude geeft dan ook de 42 meeren op, die in den omtrek van -.Alkmaar gevonden worden. Volgens deze schnj-' vers staan dus Almeri en Alkmaar in geen verband. ;, ,

Onder al deze meeren trok het » Daei-meer ofte de Ael-meer na zijn Aelvoeding" mijne aandacht. Kan Alkmaar ook van deze meer afgeleid zijn. Welligt waren de eerste bewoners van Alkmaar even als die van Amsterdam visschers, die vooral hun bestaan vonden in de aalvangst.

Men vindt ook bij Hofdijk, Ons Voorgeslacht: »Langs kunt ge uw

tocht voortzetten naar de hoeven en visschershutten aan de beek van het tempelmeir, die daarom den naam van Alcmare dragen.

M: z. Boxhornn geeft, in zyn Toneel

ofte Beschryvinge der steden van Hollant, niet meer verklaring dan de fabel van Adgildds en zegt hiervan: nMaar ick schaeme my die dinghen met meer woorden te verhaelen, die inde voorgaende eeuwe ghehadt hebben haer aenhangers ende beschermers. Het en is hier niet van noode sulcke droomers en dappers te hooren."

Van Der Aa zegt in zijn Aardrijkskundig Woordenboek »dat dit meer waarschijnr lijk de Haarlemermeer geweest is. Keizer Otto I schonk aan de utrechtsche kerk het regt der visscherij, en de kogschuld in (Almere) Jlmari enz. Op de lijst der goederen van de gezegde kerk vindt men er de tienden van de netten bijgevoegd en Almere wordt daar vermeld, als liggende bij het riviertje Vennep, hetwelk vroeger aan de westzijde van het Haarlemermeer zijnen loop had en zich in dat meer ontlastte." Deze gunstbrief is te vinden in Van Loons Aloude hollandsche histori, en luidt als volgt:

»In den naam der Heylige en onverdeelbaare Drieëenigheyd, Otto door Gods genade Koning. Dat het kennelyk zy alle onze getrouwen, zoo tegenwoordige als toekomende, hoe wy tot hulpmiddel zoo van onze ziele als ook van onze zeer beminde Gemaalin Ethetd, van zaliger gedachtenisse, de geheele visserij, welke tot nog toe te Amuson en Almeere aan onze Koninglyke kroon heeft toebehoort, en allen den Syns, die gemeenlijk Kogsehuld genaamd wordt, door het bevel van ons Hoogvorstlyk gezag voor ecuwig in vollen eygendop aan de kerk van Sint Maarte 'güfteevep heoben, welke gebouwd is in de plaats1 Treeht genaamd en over welke de Eerwaarde Bai.derik is aangesteld. En op,, dat .de gift van deeze onze milddadigheid .in. den loop der volgende tijden bestendig en ongequetst blyve, hebben, wy dezelve met onze eyge hand hieronder versterkt en gelast met het indruksel van onzen ring te verzegelen.

n Het teken van den Heer Otto alleronverwinnelyksten Koning. Ik Brün Kansellier, in de plaatse van Robbert den Aartskansellier, heb het overzien. Gegeeven den 30 van Zomermaand in 't jaar 948, de 7 indictie, in het 13 jaar der regeeringe van den Godvruchtigen Koning Otto.

n Gedaan te Nieumeege in den Heer gelukkiglyk amen."

In dezen gunstbrief komt het riviertje

« VorigeDoorgaan »