Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

en de

vloed van buitenlandsche Mogentheeden;

de Ministers doen alles wat gy u wild verbeelden, dat gedaan, of gelaten word, tegens het belang van de Natie: dit doed gy, als wel wetende, dat het Ministery niets doen kan, buiten den Koning; en dat men zelden gehoort heeft, dat het tegens zyn Welbehagen gestemt heeft , dewyl hun geheele wezentlykheit grootheit hunner Waardigheit, enkelyk op zyne Koninklyke wille gegrond is. Geheel Europa kend den zin van dat Spreekwoort: zoo dat ieder beschimping welke tegens het Ministery in 't light komt, onmiddelyk en onbeschaamdelyk uwen Koning in 'c aanzight vlieght, en hem uwe misnoegtheit toeschaduwt; even gelyk al uwe murmureringen over Hanover, in den grond, niet anders zyn, als verwyten van eene eenzydigheit, daar gy hem volstrekt van wilt schuldigh kennen: en dat jegens wie? en wat ? helaas! tegens zyn Vaderland, en alle zyne groote Voorvaderen, en naaste Bloed.

Maar eens gesteld hy heeft eenige genegentheit voor Hanover welke niet aangenaam is aan de Engelsche Trotsheit, om dat ze alleen uitmunten, en alleen geaght wil wezen, hoe Tyrannig is het dan, dus te willen, dat hy een aangeboore Zugbt, die by Uw, en de uwen, op't hooghst geroemt, en als eene deugd vermeld word, zal hebben af te leggen, wil hy anders uwe verwytin, gen en murmureringen ontgaan. - En waarom moet hy dus alle liefde en alle vaderly

ke

ke genegenheit verzaaken, voor dat Volk, daar hy voor gebooren is, om het te regeeren? -enkelyk, om een ander volk, dat hem ingeroepen heeft, om door hem bestiert, cn tegens alle rampen, van binnen en buiten beschermt te worden, in een' grilligen wangunst, aan de hand te gaan! Hy is uwen Koning, 't is waar, en, tot UW geluk, is hy 't: maar hy is immers onzen gebooren Keurvorst en Souverein, en wy en kunnen, nogh mogen, nogh behooren immers niet af te zien, van dat reght, en aandeel 't geen wy op hem hebben.

De ENGELSCHE DAME. Ik daght in 't begin van onze redenering Mevrouw, dat gy onderneemen wilde, om de Reedenen, wel ke ik voortbraght tot bewys dat Groot. Erittanien in veele ongelukken gevallen is, enkelyk door de al te naauwe verbintenis met Hanover, te wederleggen, maar ik vind u te wys, om het allerminste daar van aan te roeren; gy vald op spreekwyzen, gelyk gy gelieft te noemen, 't geen, ten minsten wettig, en eerbiedigh , zoo niet meer, in ons is, en aantoont, hoe ongaarne wy iets zouden zeggen, dat op den doorlugten Throon zoude kunnen kleeven, als een vlek:

maar,

Mevrouw, 't zou niet moeilyk zyn, om u gevallen in 't gedragh van de Ministers op.te genen, waar uit blyken zoude, dat zy 't vertrouwen van den Koningh misbruikt hebben, en de Glory van hunnen meester 'er aan hebben gewaaght, ter zelver tyd dat

zy

zy de belangen van het Volk hebben opgeoffert: welke beiden, behoorlyk beschouwt zynde, niet meer dan een en dezelve zaak zyn; dogh het onderzoek van dat alles het onderwerp niet zynde van ons gesprek, zal ik Uw de gelegenheit laten, om al te zeg. gen wat Uw gelieft , en alleen my ophouden met de regtmatigheit dier klagten, wel . ke gy schynt te bedoelen, te weten, de by. zondere genegenheit van zyne Majesteit.

Verondersteld, Mevrouw, dat een Dame van ouden en Doorlugten Huize, schoon van Persoon, onberispelyk van Zeeden, en Erfgenaame van zeer magtige goederen, zich zelven in de armen werpt van een man van gering vermogen, en haarer alleen waardig om den roem zyner deugden.

Wat zou de Wereld zeggen van zulk een Man, indien hy, na de plegtigheeden van den trouw voltrokken, en hy in 't bezit van alles gesteld ware , dus gelukkig gemaakt, en ten uitersten verplight, heen ging, en weder zyne opwagtingen maakte by een gemeen Matresje, dat hy al voor dien tyd had ? En wat zou de Vrouw moeten gevoelen, indien hy, daar en boven, korzel en onbeschei den tegens haar wierd ; - indien hy haare lief kozingen alleen met norsheit en koe!heit beantwoordde. Indien hy haare rykste Juweelen verkogt en verkwistte, tot vercierfelen van zyne ongeregelde byzit ; als ze haar Koffers ledig, haare Goederen verpand, en haar geheele ruime inkomen in eene knypende benoodigtheit ver

an

andert zagh? Gewisselyk, zy, dus gedrukt, moght uit plight en liefde zich ontzien, opentlyk tegens haaren man te klagen, maar men kan van haar niet verwaghten, dat ze Vrindschap of agting bewyzen zoude, aan een Vrouwmensch, dat al haare hoop en verwagting met voeten treedende, nogh trotslyk, met 't geen haar ont, vreemt was, zich opgepronkte, en voor al de Wereld als in triumf geleid wierd.

Het zy verre van my te willen zeggen dat ik Groot-Brittanien met de beledigde Vrouw wil verstaan, of eene toepassing wil maken, welke zoo beledigende zoude wezen voor de bekende wysheit, geregtigheit, en goedheit van zyne geheiligde Majesteit: maar dewyl wy ons geluk erkennen, van eenen Koningh te hebben, die boven alle laagheeden van eenzydigheit is, zoo kunnen wy niet nalaten, eenig ongenoegen te toonen, over de Verbeelding van een Landje, een Hanover! 't geen wel denken durft de eerste plaats, en verderen voorrangh, in zyne Koninklyke zorgen en genegentheit te moeten hebben en behouden.

De HANOVERSCHE DAME. Enkele jalousie, en ongegronde agterdogt!. maar 't is vergeefsch geredeneert, als men uwe natie van dat vooroordeel wil ontheffen: de Engelfcben, dat weet men , zyn al zoo volstrekt hoofdig, als trots in hunne gevoelens, en niet te overtuigen, als door den tyd en de ondervinding: anders zoude

het

het niet zwaar vallen, Uw te doen zien, dat, indien gy, om Uwe betrekking tot Hanover, zwaarigheden door te staan hebt, geene mindere, by ons, om onze betrekking op Groot - Brittanien, uitgestaan moeten worden.

De ENGELSCHE DAME; Dat is waarlyk een geheele vreemde Stelling! - Ik wenite wel te weten, hoe dat blykt ?

De HANOVERSCHE DAME. Niets gemakkelyker als u daar in te verplighten, Mevrouw; - op deeze wyze, Beide Onderdanen van den zelven Vorft zynde is het zeker , zoo dra Groot - Brittanien in eenige Oorloghszaken ingewikkeld raakt, dat alle Vorsten, of Mogentheeden die onvergenoegt zyn, aanstonds wraakzug. tige oogmerken hebben zullen op Hanover, niet alleen als het naast by, maar teffens als het minst magtigh om zich zelven te verdedigen: dus kan ons Land den Zetel van den Oorlogh worden, alleen om dat het Weereloos gelaten word , lang te vooren , eer ons eenige hulp kan worden aangebraght uit Groot Brittanien, de plaats, hoop ik, daar wy hulp uit verwaghten mogen, om dat het ons zyne bescherming schuldigh is.

De ENGELSCHE DAME. Ongetwyffeld, Mevrouw, ik staa daar en boven nogh toe, dat de vreeze die gy toont, zeer gegrond is: maar dat de zaken op dien voet zyn,

« VorigeDoorgaan »