Pagina-afbeeldingen
PDF

en angst welke alle zyne vermogens over, weldigden; hy verloor op 't ogenblik al de natuurlyke vermogens om staande te blyven, en viel in onmagt, met zyn hooft voorwaarts over in de Graf-kelder, en een gedeelte van zyn lighaam op de trappen. Tot over eenen wagtten zyne Vrinden met een soort van geduld, nogtans niet zonder te denken dat hy zich langer in dat gezelschap der dooden ophield, als zy meinden met de verkiezing van een gezont en vrolyk mensch overeen te komen, en vindende dat hy toen noch niet en kwam, begonden ze te dughtten, dat hem iets overkomen ware, gelyk hem waarlyk gebeurt was, noghtans gistte zy ver na de waarheid van de zaak niet, maar dewyl er veel doorgangen en tusschenspatien, tot, en rondom de Grafplaatzen, ieder op zich zelven waren, meinden zy, dat hy daarin verwart kon wezen, en het regte pad om er uit te komen, niet vinden kon. Zy twistten onderling wat zy in dit geval doen zouden; de oppasser, schoon hem alles in de Kerk gemeenzaam behoorde te wezen, vonden zy, niettemin, ongeneegen om er alleen in te gaan; zy beslooten dan om hem te verzellen, 't geen zy deeden, voorgegaan door een Lyfknegt met een toorts; zy riepen, en maakten een zoekend geluit en hielden stil om te zien, of hy haar niet zoude antwoorden, om hem gerust te stellen, in gevalle hy verdoold ware. Hy

[ocr errors]

[ocr errors]
[ocr errors]

genadig; - deeze en anderen diergelyke woorden, dikmaals herhaald, verbaasden hen allen, maar denkende, hy was nogh niet volkomen by zich zelven gekomen, vermydde zy iets te zeggen, tot zy met hem in de Herberg gekomen waren, alwaar ze hem in een leuningstoel by 't vuur plaatsten, en begonden te vragen, wat er aan scheelden, en hoe hy zoo buiten zich zelven gekomen was, waarop hy hen verhaalde, met welke vreeze hy overvallen wierd, aanstonds na hy van haar afgegaan was, en hoe hy , zyn knipmes in de vloer van de Grafkelder gestooken hebbende, gelyk zy afgesprooken

- * * Wa

»

[ocr errors]

ter, niets gezien nogh gehoort had, dat

[ocr errors]

't overkomen was, tot lachen, en wel zonder ophouden, en geduurende een geruimen tyd. Maar 't was niet mogelyk hem de minste glimlach te doen maken. – Hy was in een geduurzaam overdenken, terwyl de anderen er zich spotagtigh meede Vermaakten , en wel geheugende in welken ontroering hy geweest was, zelf terwyl hy door de Hooftkerk na 't Graf ging, riep hy uit. ,,Zekerlyk is er iets na de dood, of deezen sterken indruk zou op de Ziel geen plaats hebben: - Wat is meer in een Kerk als in eenig ander Gebouw ? - Wat is meer in duisterbeit als in ligbt, 't geen bekwaam is, door zich zelven, om die denkbeelden in ons te doen opkomen, welke ik ondervonden heb? - Gewis -- vervolgde hy. Ik ben overtuigd dat ik al te verwaten geweest ben; en, of het de Geesten toegelaten zy te verschynen, of dat ze niet verschynen kunnen, daar gelaaten, dat zy bestaan, geloof ik, en zal het altoos geloven. In dit gevoelen heeft hy sedert volhard, en 't is niet meer in 't vermogen van eenige derzulken welke hem over die verandering bespotten, om hem tot zyne voorige stellingen te doen terugh keeren. Hoe zal dat nu opgenoomen worden? kunnen menschelyke redenen ons berighten uit wat beginzel zulken verandering ontspruit: over te gaan van den spot te dryven met alles wat het denkend wezen betreft, en over: - tuigd

tuigd een van de grootste Voorstanders er van te worden, en zulk een ommekering niet verpligt te zyn aan de overreding der zinnen, nog aan overredende Vertoogen van buiten, zulks moet zekerlyk ontstaan van eene schielyke nootzaking van de Ziel, welke voor een ogenblik triumferende over alle hindernissen, ons dwingt om de waarheit te zien en te erkennen! - Indien die stelling aan eenige van myne Leezers wat te afgetrokken toeschyne, dunkt my, dat er geen middel voor my overigh is om dit verstaanbaarder te maken, als met het op te helderen door eene gemeene gelykenis, die ieder een begrypen kan: - wanneer een toorts of eenig ander sterk light, schielyk in eene Kamer gebraght word, zullen de straalen die 'er van afschieten, kenbaarlyk gezien worden, hoe zeer iemant ook zyne oogen komt te sluiten: - zoo schieten de werkingen der Ziel dikmaals in ons door, en dringen door al de dikke duisternissen van het Vleesch heen. Dat is die voorkennis, die Godlyke ingeving welke Platonides vermeld; dogh hoewel hy zich houd by die schielyke voorbygaande invallen, welken zich enkelyk als vertoonen, en dan niet meer en zyn, zoo komen ze ons, niet te min, ook wel tot grooter oogmerken aan, en laten geduurzame in

drukkingen in de Ziel.

Of het in 't vermogen van onze menschelyke reede is, geholpen door eene vuurigen Yver, om deeze werkingen te ondersten: W]

« VorigeDoorgaan »