Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

gen wat ze denken, zoo zynze nogh de gevaarlykste niet, men kan ze gemakkelyk met een uiterlyk ja, en mynheer heeft gelyk, voorthelpen,- egter moet men'er van zeggen, dat de geene die 'er oplettenheit voor hebben, en hun verpligten, een groote voorraad van goedaardigheit in hunne Zielen bezitten moeten; en, dat de geenen die 'er zich van willen laten verplighten , zulke laage Zielen moeten wezen, dat ze vervolgens geen medelyden verdienen, wanneer hen de slegte behandelingen gebeuren, die zy voordagtelyk te gemoet geloopen waren.

Nogh is er een derde zoort, min slegt en bedriegłyk als de eerste, min ondeugend en verdraaid als de tweede, en, egter, nogh meer als genoeg waardig om misagt te worden: - deeze zyn zeer dankbaar, zoo lang als gy niet ophoud met hen te verpligten; zy genaken u met meer uiterlyke onderwerping als gy begeert; zelf tot verveelens toe, moet men hunne betuigingen hooren, en zich zien verheffen tot boven de starren, als men zich met hen in gezelschap bevind; zy meeten uwe gunstbewyzen uit, als gelukken hen gebeurt, en daar zy moedig op zyn: - maar komen ze eens om iets te vraagen dat u niet gelegen komt te geven, zetten zy al dat voorgaande ter zyden, trekken al die fraaie dingen die ze van u gezegt hadden in, geven gebeurde zaken een ongunstigen uitlegh; en gaan dikmaals zoo ver van u te beschimpen, en lasterlyk de grootste bespottelykheden aan te wryven. - Deeze - foort is 200 gemakkelyk- niet te

ken

[ocr errors][ocr errors]

kennen, daar diend tyd toe, eer men 'er zich voor komt te wagten: maar eens ontdekt zynde, moest men ze in vollen dagh ten toon stellen, om te beletten, dat anderen 'er niet even eens door bedroogen wierden.

Geen eenen waren Zelfsling kan ooit een waare Dankbaare of opregte ziel bezitten; want of schoon de zelfsliefde ons neigt, om iemant die ons bemint, voor een tyd weder te beminnen, zal zulk een, niettemin, zoo dra 'er maar de minste gelegenheit tot groozer voordeel voorkomt, zyn genegenheit zeer geredelyk verplaatzen. . Wat de Dankbaarheit van een Minnaar voor zyne Meestresse aangaat, of omgekeert, daar ontrent heb ik reets, in myne aanmerkingen over den Brief van Amintör, getoont, dat zulk een ding 'er in de wezentlykheit niet is: de daden tusschen verliefden, bestiert wordende, door een overmogende hartstoght, geschied de keus niet uit erkentenis, fchoon ze plaats zou fchynen te hebben; of, zoo 'er de hartstoght niet is, zoo is de daad maar eene toestemming, gegrond op andere redenen, om te huwen, met iemant die men niet bemint: en nooit kan dat dankbaarheit wezen, of men het schoon zoo noemt; zich voor zyn leven te verbinden met iemant, dien men daaglyks ongelukkiger maken moet, door denzelven telkens nieuwe bewyzen te geven van den weerzin die men'er tegen heeft, is dat dankbaarheit?

Neen, zulk een gedragh, is, op zyn best genoomen, een baatzughtig eigen belang; en 't is nooit uit genegenheit of erkentenis

dat

dat mans- of vrouwspersoonen, hunne genegendheden zoo bitteren geweld aandoen.

AMELIA, de zeer ryke Amelia , trouwde, na een langduurig vryen, met Melanius, een Heer van gering Vermogen: maar waarom deed ze het? die het weet, zal zeggen, enkel en alleen om gevoegzaam agter de Bruiloftskleederen , en den naam van Vrouw, de uitwerkzelen van haar wangedrag, met Politis, haar Muzicqmeester, te verbergen : vraag het haar, en zy zal zeggen, dat zy haar Persoon en Vermogen aan Melanius geschonken heeft, enkel en alleen, in erkentenis, van zyne standvastigheit. Maar dien zoo begunstigden man, moet het eens in zyn gedagten neemen, om zich te beklagen over haare onverschilligheit, of de misagting die hy om haar geld moet uitstaan : of in eenigerhande manieren, laten gissen, dat hy minder onderwerping, eerbied, en oplettenheit voor haar heeft, als eer hy verwaardigd wierd haar man te wezen: wat zeg ik, wie zou hem dat raden durven ? als men indenkt voor welk een slegten Kerel de geheele wereld hem zoude aanzien, een bloed die geen geld had! zulk een ryken vrouw! zoo te behandelen: wel! welk een ondankbaarheit zou dat niet wezen!

Zoo wy in de geheimen van de getrouwde onder de menschen zien konden, vrees ik, dat 'er veel te veel huwelyken zouden gevorden worden, in welken, zoo onder manDen als vrouwen, de Dankbaarheit, niet meer als een Masques geweest was, om ’er min

prys.

[ocr errors][merged small]

pryswaardige : beweegredenen agter te verbergen. Daar is, een andere zaak, die, na myn gedagten, algemeen kwalyk begreepen word, en die is, als van een of twee Persoonen, die elkander lang bemind hebben, de eene afvald, zonder dat van de andere 'er rede toe gegeven in ter liefde van een ander vorwerp,ale beloften verbreken de, alle verpligtingen vergetende, de beledigde overgeven word, orn, met ydel klagen, den tyd al kwynende door te brengen: - in zulken geval is Ondankbaarbeit, de zaak, daar de Persoon, die zyne, of hare, trouwe breekt, gemeenlyk meede beschuldigd word; maar ik kan het in genendeel toestaan, en zal des noghmaals zeggen, dat te beminnen, of niet te beminnen, geen daad is, afhankelyk van onze Wil: en wy niet kunnen geven dat wy niet en hebben:

mat kan veranderen, aikge zeght heb, en echter erkennen dat zyne verandering onredelyk is, zelf opregtelyk wenfchen, dat het mogelyk ware, om de eerste liefde en plight in die kragt gelyk te vooren; te herstellen, dan komt de verandering niet voort uit een grondbeginsel van ondankbaarheit, maar uit zwakheit , en onstandvaste vermogens, van een ziel, die niet weet wat ze wil, nogh wat ze cot haare voldoening benodigt is.

Met dat alles moest men hier niet begrypen, dat ik de Misdaad van.zoo grooten belediging tegens de liefde, zoude willen ver-:

, , die is ten hoogten 1.Dee1 Stukje

ver

verfoeijen. Al wat wy met ons gezegde bewyzen willen, is, dat ze verkeerdelyk aan het grondbeginsel van ondankbaarbeit word toegeschreeven. Een man die 'er aan schuldigh is, verdiend op 't strengst gestraft te worden, al was hy al niet zoo hooglyk te beschuldigen over zyne verandering van onderwerp, zoo kan hy niet verantwoorden, wegens niet wel zyn hart onderzogt te hebben, eer hy 't aan 't eerste onderwerp hegtte: een hartstogt ontvonkt door een natuurlyke overeenkomsti

, gegrond op reede, en beloond met genegenheit, kan nooit veranderen; en een man moest eerst zich zelven vragen, of hy wezentlyk bemin, de ? en wel verzekert wezen, dat hy het deed, in maniere om het altyd te zullen doen.

Ik kan het ook geene ondankbaarbeit noemen, als een Persoondoor de magt van oude ren, tot trouwen gedwongen, naderhand zyne afkeer ontebovenkomelyk gevonden heeft, en onmogelyk aan de liefde, die van de andere zyde beweezen wierd, heeft kunnen beantwoorden. - Dat is, ik beken het, een zeer medelydens waarde omstandigheit, aan wederzyden; maar ze geeft geen gegronde reden, aan een van beide, om elkanderen te beschuldigen; ten ware, de party daar den weerzin plaats heeft, dezelve, onedelmoedig, voor het trouwen had bedekt gehouden, of de party dáar den weerzin tegen was, harnekkig had willen afwagten, hoe veel aangenamer zy pa het trouwen worden zoude. In een woord, ik kan niet vinden dat 'er

« VorigeDoorgaan »