Liedjes van Matthias Claudius

Voorkant
G.T.N. Suringar, 1856 - 112 pagina's
0 Recensies
 

Wat mensen zeggen - Een review schrijven

We hebben geen reviews gevonden op de gebruikelijke plaatsen.

Overige edities - Alles weergeven

Veelvoorkomende woorden en zinsdelen

Populaire passages

Pagina 59 - J * * * (lelijk de bouwman, die het zaad In de open vore strooit, En met de hoop weer huiswaarts gaat, Dat God het werk voltooit : Zoo kwamen wij — met weemoed wel • Maar hoopvol evenzeer, En strekten onzen reisgezel In de open groeve neer.
Pagina 104 - Er krulden lokken, bruin en zwaar, Om 't frisch en blozend wezen; Zoo blank een vel , zoo schoon een hair . . Ik zag het nooit voordezen. In 't vriendlijk oog, dat helder blonk, Was 't open hart te lezen: Zoo blaauw een oog, zoo zoet een lonk.. Ik zag het nooit voordezen. Hoe wist zijn stem, zijn enkle toon, Mij lieflijk mee te slepen! En wat hij sprak... het was zoo schoon, Al had ik niets begrepen. Hij kwam getrouw en telkens weer, (Ik zocht hem niet te ontvlugten) Hij greep mijn handen elken keer...
Pagina 76 - Zoo eren zat hij aan mijn zij' En hield op u den blik, En sprak weer: „Hij heeft veel van mij, „Maar toch geen neus als ik.
Pagina 87 - God zal u roem en eer en magt En elken zegen geven; Een vrolijk hart bij dag en nacht, Een lang en vreedzaam leven. En als voor u het uur dan slaat, Dat eens zal slaan voor allen, Waarin ons kroon noch scepter baat Noch wacht van duizendtallen: Dan blikt de dood, gehuld in 't licht, Als engel Gods u tegen, En 't zwaar en vorstlijk grafgesticht Zal op uw asch niet wegen. En wij, rondom dat graf geschaard v En knielende op de steenen, Wij zullen, of ge onze ouders waait r Als kindren u beweenen.
Pagina 113 - ... wel en zeer wijs aan gedaan; Vertel op den duur ons al meer, Jurriaan! En waar ik kwam, ik vond alom In rijken en in staten, De menschen even slecht en dom Als hier in onze straten. ALLEN. Daar hebt gij heel dwaas en verkeerd aan gedaan; Vertel maar niet meer, gij mijnheer Jurriaan! DE NAVOLGEKS.
Pagina 88 - Als kindren u beweenen. 86 LIED NA DEN VREDE VAN 1779. Gij, zegen, Gij, die alles ziet! De stichters van den vrede, Maar zegen vorstenvleijers niet: Dat is, o God! mijn bede. DE MENSCH. Gewonnen en geboren, Beginnen wij te zien, Te schreijen en te hooren, Te praten bovendien. Wij schieten uit de kluiten En worden kloek en stout; Beramen en besluiten En grijpen glimp voor goud. Wij tobben en wij sloven Om meerder dan ons deel; Wij twijflen en gelooven Te weinig en te veel.
Pagina 11 - Eet, lieve zon!" zoo zou ik spreken, „En wilt gij meer, zoo vraag." Maar daar ik u geen dank kan toonen Voor wat gjj doet en deedt, Zoo moog de goede God u loonen , Die alle dingen weet. En daar ik Hem niet kan aanschouwen, Van wien ge uw glans ontleent, Zoo moog het werkstuk mij ontvouwen Hoe goed de Maker 't meent. Wees welkom, welkom allerwegen, Gewrocht van gloed en goud! Breng weer ons arme landlni zegen En groei aan veld en woud.
Pagina 56 - t graauw verschiet, Het rijzend daglicht weer, En zing mijn vrolijk morgenlied En denk aan God den Heer. 54 DE GELUKKIGE BOER. De kraaijen fladdren om mij rond En volgen mij naar 't land ; 't Gevogelt' groet den ochtendstond En wipt van plant op plant. Intusschen vangt de zon haar loop , Haar schittrende opvaart aan. . . Dat schouwspel vindt men niet te koop , Naar welke markt wij gaan. En als het duizendkleurig kruid Het dwalend oog vergast, En als het jonge zaad ontspruit...
Pagina 27 - Dat werk-alleen bestaat: Dat kan geen roest, geen mot doorknagen; Dat brengt geen magt ten val! — Op God, gij volken! 't oog geslagen! Gij, vorsten, gij vooral! Uit eigenwaan en zelfvereeren Spruit nooit een goed gewin; De godsvrucht en de vrees des Heeren Houdt elken zegen in. AVONDLIED. -De...
Pagina 62 - Voorwaar, wel te vree, vergenoegd zijn en blij, Dat , mannen ! zijn kostbare zaken ; Het menschdom nogtans, hoe verlicht het ook zij, Telt veel onverstandige snaken : In plaats dat men stuurman en loods laat begaan, Zou elk wel aan 't roer van het schip willen staan. KOOR. In plaats dat men stuurman en loods. laat begaan, Zou elk wel aan 't roer van het schip willen staan. En draaide nu elk eens het roer naar zijn lust, Hoe dwars zou het scheepje dan gieren! Het zwalpte van de eene naar de andere...

Bibliografische gegevens