Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Syn korte en dikke hals verliest het hair in den ouderdom. Syne deyen zyn dik' en grof, de pooten groot, vleeschig, en sterk, van on deren tamelyk breed, en met vier klauwen voorzien, waar van de twee voorste grooter, dan de agterste, zyn. Het loopt zeer snel, vooral op eenen vlakken grond, en als het gejaagd word, doch het kan zulks niet tegen een paerd, of tegen een mensch, die sterk loopt, uithouden. Daarom tasten de Negers, die in het algemeen zeer sterk loopen konnen, hetzelve zoo veel te geruster aan, voornamentlyk, wanneer sy het ver van eene rievier aantreffen, en aan hetzelve de terugkeering beletten konnen ; want het zoekt altyd meer te ontvlugten, dan zich te verdeedigen. Kan het by het water komen, dan stort het zich daar in, en, wanneer fyne gewoone weg is afgesneeden, springt het van den oever in het water, hoe hoog dezelve ook zyn moge, zoo dat het dikwils hals en pooten breekt. Komt het in het was ter, dan steekt het den kop booven, schut met de ooren, ziet na syne vyanden, brult , en zwemt sneller voort, dan het loopt. De huid is, vooral aan den rugge, hals, en

, buiten aan de deyen, zoo hard, dat geen kogel of pyl daar door dringen kan. De Negers maaken uit dezelve schilden, wanneer sy wel gedroogd, en uitgerekt is. Aan dení buik, en Jiesschen is dezelve dunner, en aldaar zoeken de jaagers het dier te treffen. Zeer moeyelyk is het, hetzelve te dooden. De Negers, die zich aan de Krokodillen en Haayen met hunne messen waagen, durven egter het Rievier-paerd niet eerder aanvallen, dan wanneer fy daar toe eenen zeer voordeeligen kans vinden, want, de

weg

[ocr errors][merged small]

weg voor hetzelve afgesneeden zynde, dan is het zeer verwoed, en gevaarlyk. Valt men hetzelve in het water aan, dan word het woedende, en haalt met fyne tanden dikwils groote stukken uit den boot, of doorboort deszelfs bodem , zoo dat die zinken moet. Het allergevaarlykst is het, wanneer het jongen heeft; het vuur is het zekerfte middel, om het op de vlugt te jaagen; en dit is ook de rede, dat de Zee-lieden aan hunne booten, eene lantaarne met een brandend licht hangen, wanneer geen dier zich na dezelven durft begeeven.

Het Rievier · paerd houd zich meer op het land, dan in het water, op; alzoo het in hetă zelve niet langer, dan drie quartier blyven kan, zonder weder boven te komen, of adem te haalen, waarna het zich weder onderdompelt. Dikwils legt het zich in het riet te slaapen, en maakt zich door fyn sterk geronk bekend. In dit geval is het gemakkelyk te dooden, wanneer men hetzelve zagtjes nadert; want het heeft een sterk gehoor, en stort zich in het water , zoo dra het eenig geruisch hoort. Met netten kan men het niet vangen ; het zoude met eenen slag fyner tanden meêr maazen verscheuren, als veele werk-lieden, in verscheide dagen, zouden konnen maaken. Merken de Visschers, dat hetzelve hunne netten nadert, dan goeijen sy eenen visch toe; welke hetzelve aanneemt, en wech gaat.

Behalve fyne voornaamste spys, de visschen, eet het ook gras, en fchept groot behaagen in de Reist, Mays, en wortelen; waar in het in zeer korten tyd eene groote verwoesting aanregt. Dewyl het zich meestendeels des nagts op het land begeeft, zoo moeten de Negers

dikwils geduurende den geheelen nagt vuur stooken, om deeze dieren, als ook de Olyphanten, van hunne landen te houden. Het vleesch der dieren, wanneer het zulks vindt, versmaad het geenzins; doch om levendige dieren na te jaagen, daar toe is het veel te zwaarlyvig en log. Men vindt het mannetje gemeenelyk by het wyfje, en het mannetje vegt voor hetzelve en voor de jongen met geweld. Aan den oever worden de jongen ter waereld gebragt, en door de Moeder gezoogd. Vier komen van eenen dragt voor; en dus vermenigvuldigen fy sterk, Men heeft somtyds troepen van drie of vier honderd gezien.

De inwooners van Angola, Kongo, Elmina, en de Oostelyke Kusten van Africa zien het Rievier-paerd aan, als eene soort van Godheid, en eeten hetzelve egter zonder bedenken. De Mooren scheppen in het vleesch groot behaagen: doch schoon het vet en tamelyk goed is, Imaakt het den 'Europeaanen egter traanig, en heeft eenen kwaaden reuk. Men houd het. zelve gebraaden, en in Ragou beter als gekookt, en de borst, op de eerste manier bereid, word zoo goed, als Kalfs- vleesch gerekend. Het vleesch der jongen is voortreffelyk. Het dier is vet, en volbloedig, en weet zichzelven eene ader te openen, wanneer het zich tegen eene scherpe plant wryft: hierna legt het zich zoo lang in het slyk, tot dat de wonde geheeld is. In het water swemt het met een opgeheeven kop, en blaast het water door de neusgaaten , als de walvisschen; waar by het verschrikkelyk brult, zoo dat men op de plaatsen, alwaar deeze dieren in meenigte gevonden worden, van het geraas niet Naapen kan.

Men

Men vindt het Rievier - paerd in alle groote Rievieren van Afrika, als ook in eenigen van Afia. In Ægypten, alwaar deeze dieren voorheen zeer menigvuldig waren, zyn fy tegenwoordig zeldzaam gemaakt, wegens de groote schaade, welke fy onder de veld-vrugten aanregtten. Sommigen houden het Rievier-paerd voor de Behemoth van Job (*).

Verklaaring van een onbekend versteend lighaam. Pag. 1954 Dit lighaam heeft groote overeenkomst met eene versteende krabbe, doch word van den Schryver veel eer voor eene versteende vrugt gehouden.

Berigt van eenige zeer groote beenderen en hoor- Pag. 219, nen, hier en daar, vooral in Saxen, uit den grond gegraaven, door den Hr. SCHULZE. Men vindt in deeze Verhandeling opgenoemt verscheide landen en plaatsen, alwaar men zeer groote beenderen, en hoornen, heeft gevonden, en te gelyk aangetoont, hoedanig de gesteldheid van den grond geweest is in Saxsen, op zulke plaatsen, alwaar men dezelven heeft ontdekt.

Berigt van het opzwemmen der Salmen in de Elbe ; Pag.234 door den Hr. SCHULZE. De Salmen behooren

on

(*) Eene fraaye afbeelding van die dier word gevonden in de Natuurlyke Historie volgens het samenstel van den Hr. LINNÆUS, door den Hr. HoutTUIN, derde stuk, plaat 28: welke hem door den Hooggel. Hr. J. BURMANNUS, Hoogleeraar in de Kruidkunde te Amsterdam, uit fyne keurlyke verzameling van getekende Afrikaansche dieren gegeeyen is.

[ocr errors]

onder die Zee-visschen, welke, wanneer sy hunne eijeren leggen zullen, zich uit de zee naar zoet water begeeven. In het begin van de Lente worden sy in de Elbe waargenomen, en op het einde van Mey begeeven sy zich uit de Elbe naar de Rievier Muldau, eindelyk konnen fy by de Rievier Wottawa, en houden zich dan op by Piseck, Strakonitz, alwaar sy hunne eije. ren leggen aan de oevers, alwaar de rievier waadbaar en zanderig is, en de eijeren dus door de warmte der Zonne schielyk worden uitgebroeid. Alhier houden fy zich op, tot dat de eijeren zyn uitgekomen; en op het einde van den zomer komen sy in de Elbe met de jongen terug. Vooral is het te verwonderen, dat de Salmen, in de Rievieren komende, over de grootste Nuisen van ses of zeven ellen hoog Ipringen: eer sy dit zullen doen, rigten fý zich verscheiden maalen op, boven het water, waar door de viffchers hen in het oog krygen, die op zulke plaatsen ook een zeer groot ge

tal vangen. Pag. 245.

Gedagten, om de velden te verbeeteren, door het af, branden der Stoppelen, door S. In Litthauwen is de Landman gewoon de stoppelen in brand te steeken op die plaats, alwaar de wind de vlam op het geheele land kan verspreiden, en, na dat het heeft geregend, ploegen fy den grond, en zaayen vervolgens. De asch, welke op deeze wyze in den grond komt, veroorzaakt eene groote vrugtbaarheid. Het zout, door den regen ontbonden, dringt overal eeven diep in den grond; de eijeren der Insecten worden geheel en al vernielt, de wortels, en zaa. den van onnutte planten gaan te gelyk verloo

ren

[ocr errors]
[ocr errors]
« VorigeDoorgaan »