Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub
[ocr errors][ocr errors][ocr errors]

Histoire de L'Académie Royale des Scien

ces, Année 1760. Avec lès Mémoires
de Mathématique & de Pbysique, pour
la même année, Tirés des Registres de
cette Académie, à Paris de l'Imprime.
rie Royale 1766. 4. pag. 212. Hist.
pag. 476. Mem. Tab. cen. 18.

d. i.

Historie van de Koninglyke Academie

der Weetenschappen voor den jaare
1760. met de Verhandelingen over de
Wis- en Natuur-kunde voor denzelf.
den jaare.
n het Historische gedeelte żyn onder de Na-

tuur-kundige Waarneemingen de volgende te vinden.

1. De Hr. DE BUFFON heeft de Academie Pag. 16. medegedeeld eenen brief van den Heere DE LA Nux, woonende

woonende op het Eiland Bourbon, en een van de Correspondenten deezer Academie, bevat tende eenige aanmerkingen omtrent dit Eiland. Uit denzelven blykt, dat de Indiaansche offen, welke eenen bult op den rugge hebben (Bizons), V. Deel. 3. Stuk.

Ff2

geene

geene byzondere foort uitmaaken, maar behoo. ren tot dezelfde foort, waar toe onze gemeene betrokken moeten worden. , De Hr. DE LA Nux heeft ondervonden, dat de eerste met de laatste voortteelen, en dat de jongen naderhand ook wederom andere voortbrengen. De bult, welken de Indiaansche tusschen de schouderbladeren hebben, schynt toevahig, of ten minsten niet zeer eigen aan hunne natuur te zyn, om dat dezelve, als fy met andere koeyen voortteelen, zeer vermindert in de eerste voortteeling, en eindelyk volkomen verdwynt. De eendvogels verschillen van de onze. De zwarten brengen somtyds kinderen voort, die noch tot de zwarte, noch tot de blanke, fchynen te behooren, en op de huid vlakken hebben van eene donkerbruine kleur. De winden, welke gezegd worden in de zee, die tusschen Asia en Africa is, ses maanden agter elkander te regeeren, zyn geenzins zoo standvastig, maar veranderen dikwils drie of vier maalen in eene maand; op het genoemde eiland waaid over dag de wind uit den tegenovergestelden hoek van dien, waar uit dezelve des nagts komt. De

stroom van de zee verwisselt ook geregeld. Pag. 19.

2. Het water in de Seine is, in den beginne van het jaar 1760., van de hoogte van drie voe. ten opgeklommen tot die van twintig voeten,

en wel binnen den tyd van veertien dagen. Pag. 20.

3. De Hr. DEPARCIEUX heeft door eenige voorbeelden getoont, dat de rievieren, welker water bekwaam is, om harde lighamen met een korft te bedekken, in Vrankryk niet zoo zeld.

zaam zyn, als men gelooft had. pag. 21. 4. De Hr. MUSSCHENBROEK heeft aan den Hr. NOLLET gefchreeven, dat men hem verhaald

heeft,

[ocr errors]
[ocr errors]

.

[ocr errors]

I. HIST. DE L'ACAD. DES SCIENCES 1760: 453
Ether
In gen heeft, dat in eene Rievier van Surinaamen ge;
Ze
HITE vonden word een visch, welke behoort tot
le s het geslagt der Gymnoti, en waar van fy, die on:

der het water de hand naar hem uitsteeken, of

hem met eenen stok aanraaken, eenen vry gewel het digen elettrieken schok krygen. Doch de Historieschryver van de Academie voegt 'er by, dat 'er

.
gewigtige redenen zyn, om aan de waarheid

van dit verhaal te twyfelen, en dat de visch de dezelfde schynt te zyn met die, waar van de

Hr. RICHER in het verhaal van fyne reis naar
D Cayenne spreekt, en welke de hand en arm van

jemand, die hem aanraakt,-200 doof maakt, dat
hy dezelve in eenige minuuten niet kan bewee.
gen, 't geen aan geene electrieke kragt kan wor-
den toegeschreeven.

5. De verschrikkelyke aardbeeving, welke Pag. 23.
in 1759. Syrien, Phænicien en Palestina ruim
veertig dagen aangetast heeft, word volgens
een berigt van den Hr., COUSINERY beschreeven.

6. De waarneemingen van den Heere DE Pag. 24. SAUVAGES hebben geleerd, dat er eene ader van kwik loopt onder den grond van Montpellier,

7. De ontdekking van eenige Leden van de Kei- Pag. 26. zerlyke Academie te Petersburg, omtrent het be. yriezen van den kwik, word ook hier verhaalt.

[ocr errors]
[ocr errors]
[ocr errors]
[ocr errors]
[ocr errors]
[ocr errors]
[ocr errors]
[ocr errors]

Zeven ontleedkundige Waarneemingen wor. den medegedeeld.

De eerste handelt van een Zonderling been in Pag. 44 het bekken gevonden. Een soldaat, die agt, en twintig jaaren gediend had, en in syn een- en vyftigste jaar in het Hospitaal te Bruffel stierf, was tot syn vyftigste jaar zeer gezond geweest, doch toen begon hy te klaagen over eene har,

dig

[ocr errors]

Ff 3

digheid in den buik, en van tyd tot tyd geplaagt te worden met eene pis-opstopping, waar van hy zich wist te verligten, door zich een weinig over de regter zyde te draaijen, en voorover te þuigen. Men wist de oorzaak daar van niet te ontdekken, maar by het openen van het lyk pa synen dood, door eene heete ziekte veroor. zaakt, vondt men in het bekken een beenagtig lighaam, weegende twintig oncen, en geplaatst aan de regter zyde, tusschen de blaas en het schaambeen; hetzelve was alleenlyk vast aan het darmscheil, en aan geen der overige deelen vereenigt. Het lighaam wierd bedekt door een zeer dun ylies, welk door middel van een dik, klieragtig, kegelvormig lighaam aan het darmscheil vast, zat, hetzelve was gemarmert, veel zwaarder en veel harder, dan andere

' beenderen.

Pag. 45.
." De tweede

Waarneeming betreft eene ziekte van het hart." Een klein, doch sterk en vet, man van een bloedryk temperament, twee maanden ziekelyk geweest zynde, wierd den 6. April 1759. gebragt in het Hospitaal, hy klaagde over eene moeyelyke ademhaaling, kon niet blyven leggen in syn bed, en was dikwils genoodzaakt op te staan, om gemakkelyker adem te haalen. Hy stierf den drie- en twintigsten, men opende fyn lyk. De borft was vol groen water , welk eenigzins na de bruine kleur overhelde; het hartezakje, welk de dikte van twee leinen had, bevatte een zwartagtig vogt; het hart scheen dezelfde kleur te hebben, doch verloor dezel: ve, na eenigen tyd in koud water gelegen te hebben. Uitwendig was hetzelve bedekt met een celagtig weeffel, paar boomwol gelykende,

en

[ocr errors]
[ocr errors][merged small]

en onder dit was een ander vlies, van wit en
dik vet gemaakt, beide bekleetselen waren met:
elkander vereenigt, en maakten eene dikte van
zeven of agt deinen.

In de derde Waarneeming word beschreeven Pag. 46.
een gezwel op de Ninker wang van een kind, een
jaar oud. Hetzelve was omtrent zoo groot, als
een vuist, en strekte zich uit van het oor tot
aan den hoek van de lippen, het was zagt,
wit, niet pynelyk, beweegbaar, en scheen uit
klieragtige knobbeltjes samengesteld te zyn, op
de oppervlakte liepen hier en daar eenige bloed-
vaten in de gedaante van eenen krultrek. De
gedagten over dit ongemak waren verschillende.
Het kind stierf eenigen tyd daarna door een
toeval, welk met het gezwel geen betrekking
had, en daardoor wierd de Hr. TENON, die
deeze waarneeming aan de Academie heeft mea
degedeeld, in staat gesteld te ontdekken de
waare oorzaak van hetzelve. Hy vondt, dat
hetzelve niet anders was, dan de oorklier, die
tot eene zoo aanmerkelyke grootte was opge-
zet door het bloed, welk door de wyde flaga.
deren, die uit de carotides en maxillares externa
kwamen, in het onderste gedeelte van het ge-
żwel aangebragt wierd. Door eene trapswyze
drukking zoude de toeneeming van het gezwel
mogelyk eenigzins belet zyn, had men de oor-
zaak van hetzelve ontdekt.

De vierde Waarneeming betreft een wanstaltig Pag. 47. Kind. Aan dit kind, welk op den behoorlyken tyd in 1759. gebooren wierd, en een meisje was,

ontbraken de twee sleutelbeenderen, het borstbeen, en de kraakbeenderen, welke in

eenen

Ff 4

« VorigeDoorgaan »