Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Schen,

Andere dieren , van een byna eender maakfel, door den Schryver onderzogt zynde, hebben hetzelfde vermogen getoont ; voornamentlyk heeft hy de proef genomen op de Kikvor

de

gewoonę padden, en eene groote foort, door de Italiaanen Botta genoemt. De pooten, van deeze dieren gefneeden zynde zyn weder aangegroeit. Het eerste beginsel van het deel heeft in dezelven, even als in de salamanders, ook de gedaante van een' kegel; deeze kegel breid zich uit in een poot, welke hetzelfde getal teenen heeft, als de eerste ; en welke door de ontleeding ook ontdekt word in alle opzigten met de natuurlyke overeentekomen. Doch de voortbrenging geschied schiely. ker in de salamanders, als in de kikvorschen, en padden; en, daar men in alle soorten van falamanders altyd die nieuwe pooten krygt, wel, ke men verlangt , zoo ziet men by de andere dieren fyne hoop dikwils te leur gesteld. Uit al het voorgestelde volgen zeer veelen vraagen, welke alle door den Schryver worden opgegee. ven, en die hy belooft , in fyn groote werk te zullen verklaaren.

[ocr errors]

Pathological Inquiries and Observations

in Surgery from the Diffe&tions of mor. bid bodies. With an Appendix containing twelve cases on different subje&ts. By RICHARD BROWNE CHESTON. Glocester: printed by R. Raikers, and sold by T. Becket and P. A. de Hondt. Lon. don. 1766. 49. plag. 19. tab. an. 15.

d. i.

Ziektekundige Onderzoekingen en Waar

neemingen over Heelkundige gebreeben, opgehelderd door de ontleding der Lyken. Waar by gevoegt is een Aanhangsel, bevattende twaalf Waarneemingen over verscheiden onderwer. pen; door R. B. Cheston. .

an het werk zelve hebben wy in het voor- Pag. 121. Van

gaande stuk gesprooken; de Waarneemingen in het Aanhangsel medegedeeld verdie. nen niet minder eene plaats in deeze Biblio. theek, en tot dezelven gaan wy nu over.

De eerste Waarneeming betreft de waterzugt van het oog (Hydrophthalınia). J. A. omtrent dertig jaaren oud had een groot gezwel, welk de holligheid, waar in het oog legd, vulde, uitwendig ter grootte van een ganzen-ey uitpuil. de, en door de oogleden bedekt was. Hy schreef

de oorzaak toe aan eenen flag, welke hy voor eenige jaaren op het oog gekreegen had. Het gezwel was vry hard, en bood aan het gevoel een' zoo sterken tegenstand, als een knoeftgezwel. Dewyl hy over zwaare pyn klaagde, en zeer sterk hulp begeerde, bepaalde men het · geheelen gezwel wech te neemen. De Heel. meefter, twyfelde omtrent de oorzaak van het gezwel, stak het lancet in hetzelve, eer hy de operatie begon, en toen ontlasten zich vyf oncen vogt. Het gezwel verminderde ten eenenmaale, en de oogleden vielen in de holligheid, welker bovenste rand veel uitgezet was. De wonde wierd verbonden, en had eene rykelyke ontlasting geduurende twee of drie dagen, tot dat zich eenige lelyke zwarte vliesen vertoon, den, welke eenen kwaaden reuk van zich ga. ven. By elk verband zag men meêr van deeze vliefen. Op den vyfden dag des morgens wierd hy ongevoelig, en stierf dien nagt. De oorzaak van het ongemak onderzoekende, vondt men het bovenste gedeelte van de Orbita geca. , rieert, met eene groote opening in hetzelve, waar door de hersenen, die oppervlakkig verstorven waren, wierden blootgesteld. De oorsprongkelyke ziekte was ongetwyfelt eene waterzugt van het oog, welke, niet by tyds geneezen zynde, door de drukking het been had aangedaan. In een ander geval van deezen aart, door een vriend van onzen Schryver waargenomen, waar in aan het water een uitgang verschaft was, schoon niet dan na dat het ongemak reeds eenigen tyd geduurt had was de Orbita insgelyks aangedaan, schoon de bederving niet door het been was gedrongen. Men leert daar door, dat men nooit moet toe- . con

laa.

[ocr errors]

den

laaten , dat het water zich in eene zoo groote quantiteit-vergadere,' of dat hetzelve het been aandoen konne, 't geen met het grootste gevaar word verzeld. : Het tweede geval spreekt van slymproppen Pag. 103. in het hart. 'J. M. omtrent veertig jaaren oud, een sterke boer, was voor tien jaaren geplaagt geweest met een lastigen hoest, grootendeels

' verzeld met geweldige pyn, en een onaangenaam geluid in het hoofd. Met het begin van 'het jaar 1762. wanneer het zeer koud, en hy op het land bezig was, wierd hy geplaagd met zeer sterke 'hartkloppingen, en geweldige pyn rugge en linker schouder.

Van deezen tyd vermeerderde fyn hoeft zoodanig, en wierd zoo geweldig, dat hy somtyds een pint bloed in vier en twintig uuren uit den neus kwytraakte. De ademhaling wierd zeer moeyelyk, doch gemeenlyk verligt door een mengsel van honig en oly. De genoemde toevallen wierden in 't eerst verligt door eene aderlating, doch deeze deed op het laatst geene werking meer. Meestentyds was hy hardlyvig, had éene fleepende koorts, en fyn water, 't welk hy tot de quantiteit van eenen lepel op eens loosde, was zeer dik. Wanneer de Schryver hem voor 't eerst zag, waren syne oogen rood, het aangezicht paersch, de ademhaaling kort en moeyelyk, fyne deyen gezwollen, en men ontdekte water in den buik. Syn trek tot eeten was Negt, en hy had eene geduurige pyn in de maag. Hy was zeer dorstig, en de fluimen waren dikwils met bloed gemengt. In het har. teputje bemerkte men eene sterke klopping, welke hem zeer lastig was, en, op het einde

van fyn leeven was de pyn in het hoofd zoo geweldig, dat hy dikwils belet wierd, zich nęêr te leggen; terwyl het geluid hem fcheen overeen te komen, met dat van een’ water-val of moolen. De klopping der slagaderen was geenzins ongeregeld of tuischenpoozende, doch ras; en, wanneer omtrent twaalf oncen bloed waren afgetapt, waren dezelven veel harder, Schoon men hem door veelerhande middelen zogt te helpen, waren de uitwerkingen zeer gering; ook bad hy geene verligting, dan wanneer hy zich zeer slap hield. Op zekeren morgen zich slimmer vindende, dan naar gewoonte, hield hy het bed, en sy, die by hem waren, dagten, dat hy stierf. Zelfs nu, schoon hy ongevoe: lig was, en nauwelyks adem haalen kon, was fyne pols sterk, ras, doch geenzins ongeregeld. In deezen staat bleef hy tot den volgenden nagt, wanneer hy stierf. De holligheid van de borst geopend zynde, vondt men de vaten zeer verwydert, en met bloed opgezet. Het hartezakje met het vogt, in hetzelve bevat, was natuurlyk. Het hart was zeer groot, en

, de kroonvaten vol dik, zwart, bloed. Het regter oor was zeer verwyderd, en geopend zynde vol dik bloed. In de regter en linker

. holligheden waren twee Nymproppen van eene vaste substantie, en geele kleur, niet ongelyk aan het verdikte vet-vlies; fy namen haaren oorsprong van de tusschenruimtens tusschen de columna carneæ, en strekten zich zelven uit tot in de long- en groote slagader. In de linkerholligheid was de slymprop veel harder en groo, ter, en maakte eene foort van middenschot in deszelfs holligheid. De long was buitengemeen uitgezet, schoon 'er geen het minste blyk van

[ocr errors]
« VorigeDoorgaan »