Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

1

altyd van begrip geweest, dat men in gekwetste menschen, in zulken die een etterborst, de borft: waterzugt, het water in het harte-zakje, of den buik hadden, eene golving van het uitgestorte bloed, de etter, of het water kon ontdekken, wanneer het lighaam van den lyder bewoogen wierd, en hebben zulks als een teken van deea ze ziekten opgegeeven. - Weinigen hebben niet zonder reden gedagt, dat dit teken somtyds bedriegelyk was, en deeze Schryver oordeelt, dat men aan hetzelve geen het minste geloof Naan kan, zoekende fyne gedagten te staaven, door natuurkundige bewyzen, waarneemingen, en proeven. De dagelyksche ondervinding leert, dat men geene golving ontdekken kan, dan in eene ledige plaats; in de holligheid nu van de borst is, 200 wel in een ziekelyken als gezonden staat, geene leedige plaats, maar de oppervlakte van de long raakt aan het borstvlies, zonder dat 'er lugt tusschen beiden is. Indien derhalve in eenen gekwetsten eenig bloed uitgestort is, of in waterzugtigen water, of in etterborstigen etter , in de eene of andere holligheid verzameld is, blyft 'er egter geene ledige plaats over, waar in het vergaderde en stilstaande vogt zou konnen bewoogen worden, en door eene golving tegen de zyden van het deel, waar in hetzelve beslooten is, aanslaan. De lyder zal derhalve, wanneer hy het lighaam beweegd, geenzins cene golvende stoffe, of eenig geluid konnen ontdekken, noch ook de omstanders hetzelve hooren, wanneer fyn lighaam geschud word. Het hartezakje, welk door het hart geheel gevuld word, sluit ook alle golving uit, en in eene waterzugt van hetzelve, kan men die niet ontdekken. Hetzelfde moet ten opzigte van den

buik aangemerkt worden. Het buikvlies raakt overal de ingewanden aan, en noch tusschen de kronkelingen der darmen, noch tusschen eeni. ge andere deelen, blyft eenige ledige plaats ove: rig, en indien bloed, etter, of water, zich in deeze holligheid uitstorte, zoo dat of de geheele buik of een gedeelte van denzelven zwelle, is de ruimte altyd vol, en 'er kan dus geene plaats voor eene golving overblyven. Indien het vogt, tegen de oppervlakte der darmen aanstuitende, mogelyk eenig geluid verwekt, wanneer dezelven eenigzins wyken, moet men hetzelve niet aanmerken, als het geluid van het vogt, welk in de holligheid van den buik is, maar voor het geluid van het vogt, of de lugt, wel. ke in de darmen word opgehouden: en, wanneer men, de hand op den gezwollen buik leggende, en op de andere zyde kloppende, even als eene golving van het vogt schynt te bemerken, moet men deeze gewaarwording eerder toeschryven aan de zagtheid van het gedrukte en wykende vogt, welk te gelyk met de bekleetselen bewoogen word, dan aan eene eigentlyke golving. Het zelfde heeft plaats met het vogt, welk in het celagtig weefsel van het buikvlies, of in eenige vliezige verdubbeling van den buik, in de eijernesten, of in de baarmoeder vergadert word; zulk vogt zal niet meer door eene golving konnen bewoogen worden, dan in eenen anderen vollen zak. Verder leert de natuurkunde, dat men geen geluid kan ontdekken, alwaar de veerkragtige lugt ontbreekt, nu is het bekend, dat noch in de borst buiten de wegen van de lugt, noch. in den buik, buiten de maag en darmen, noch in eenige andere holligheid van het lighaam,

eene

A 4

eene veerkragtige lugt is, en derhalven zal geen vogt, van welken aart hetzelve ook zyn moge, welk aldaar stilstaat en verzamelt is, eenig geluid van eene golving konnen maaken. Verscheide proeven bevestigen zulks ook. Indien men de maag, een' darm, of de blaas van een dier, alleenlyk voor een gedeelte vult, zoo dat 'er eene ledige plaats overblyve, waar in de lugt zich ophoud, en dezelven schud, zal het vogt, met zich van de eene plaats naar de andere te begeeven, een geluid maaken:doch wanneer men de holligheid ten eenenmaalen vult, zal men te vergeefs eene golving, veel min eenig geluid, verwagten; hetzelfde heeft plaats met allerhande vaatwerk, gelyk zulks de dagelyksche ondervinding leert. Indien men water giet in de holligheid van de borst of buik van een levendig of dood dier; en aanstonds de opening Nuit, en de lugt daar uit houd, zal men geen geluid kopnen bemerken, hoe zeer men ook het lighaam schud, en het oor aan het zelve houd. In lyken van menschen, gestorven aan eene uitstorting van bloed, etter, of water in de eene of andere holligheid, kan men, als dezelven bewoogen worden, geene golving ontdekken, die noodwendig zoude bespeurd worden; indien dezelve by het leeven had konnen worden waargenomen. Mogelyk zal men somtyds eenig twyfelagtig geluid bespeuren, welk egter meer uit de lugtpyp, en de ingewanden komt, dan uit de andere holligheden. Dit heeft ook plaats met het geluid, welk door zulke lyders, die op alles nauwkeurig agt geeven, bemerkt word, wanneer sy zich van den eenen naar den anderen kant be. weegen, of hun lighaam door anderen geschud

word.

[ocr errors]

word. Het blykt dus uit het een en ander, dat men op dit teken in het kennen der ziekte, het voorspellen van derzelver uitkomst, en het gepeezen van dezelve, weinig kan staat maaken, en op de andere tekenen des 'te nauwkeuriger behoort te letten.

??

Waarneeming van een Spekgezwel (Steatoma), Pag. 160. weegende dertien ponden en een half, met eene buik. waterzugt verzeld; door den Hr. Fr. T. BERGER. Eene vryster veertig jaaren oud, na welker dood het maagden-vlies ongeschonden wierd gevonden, van haar sestiende jaar in een klooster les vende, en voorheen na ziel en lighaam gezond, begon zederd agt jaaren, zonder eenige koorts of andere voorafgaande ziekte, eene buiten, gewoone zwaarte in den buik te ontdekken, met eene moeyelykheid in het gaan, eene hardheid van den buik, winderige opzetting der darmen, hardlyvigheid, en yermoeidheid van het geheele lighaam. Dė bụik, meer en meer opzwellende, en hard wordende, maakte geluid, wanneer men denzelven aanraakte, en deed dus om eene windzugt denken. Eene goede levensregeling, ontbindende, openende, windbreekende, buikzuiverende middelen, en anderen, welke scheenen vereischt te worden, bragten wel eenige verligting aan, doch de buik llonk niets, maar wierd veel eer dikker, en deed wel haast bemerken, dat 'er water in denzelven was. Veele Genees- en Heel-meesters namen derhalve den toevlugt tot middelen, tegen deeze ziekte gepreezen, doch met geen beter uitwerking. De opstopping der stonden, welke 18. maanden geduurd had, deed vermoe: A 5

den,

den, dat 'er eene verstopping, gezwel, of an. der ongemak in de baarmoeder zyn zoude, en om dit wech te neemen gebruikte men verschei. de in- en uitwendige middelen, doch zonder vrugt. De stonden, verwekt door een aftreksel van de flores Calendula in wyn, openbaarden zich vervolgens, even als in gezonden, alle maanden rykelyk. ` Dewyl de buik en teeldeelen meer en meer zwollen, en men de golving van het water bemerkte, doorboorde men den buik met de troisquart onder den navel, tusschen de regte en schuinfche buik-spier, op deeze wyze wierd iet meer dan eene halve pint slymerig water van eene orange-kleur ontlast, welk na verloop van een quartier zoo dik als geley wierd, en daarna kon geen drop wederom ontlast worden. Ook waren alle overige middelen, die anders in het geneezen van de waterzugt, voordeelig zyn, naarstig in- en uitwendig gebruikt, doch onnut bevonden; het ongemak bleef even hardnekkig, en vermeerderde langzamerhand. In het vyfde jaar van deeze ziekte wierd de lyderefle door het zyden-wee aangetast, in het sesde door eene heete koorts, en in het zevende door een' kwaadaartigen rooden-loop, welke ziekten fy allen gelukkig te boven kwam; tot dat in het agtste jaar eene diarrhea colliquativa binnen den tyd van twintig dagen' haar leeven eindigde. ' Het lyk wierd ontleed." De huid op den buik was bruin, rimpelig, en even als met korsten bedekt. " In den buik waren vier pinten van een blauwagtig water, welk na pis rook, en meer dan agt pinten etter van verschillende kleuren, waar in geronnen bloed dreef. De bekleetselen van den buik wierden van den navel van een halven

« VorigeDoorgaan »