Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

paan hem bij zich aan boord komen, en zeide: u Boefje, hoe is het? Hebt gij nog geen ongelukken genoeg gehad? Moet gij nu nog zoo noodlottig in mijne handen vallen?" De schipper antwoordde: // Ik hoop dat gij barmhartig zijn zult en mij niet zult te gronde rigten." — //Komaan," was het antwoord, //wij willen eerst eens drinken, en dan zullen wij zien wat we doen." Onder het drinken zeide Compaan: //Boefje, gij zult schip en lading terug bekomen; ik zal maar een weinig voor mij behouden; maar doe mij het genoegen , en bezorg wat geld en juweelen aan mijne vrouw; doe het getrouw en naauwgezet, gedachtig aan de goedheid die ik u bewijs." Compaan stelde hem nu de kostbaarheden ter hand, waarop zij scheidden en elk zijn weg voer. Des avonds ontstond een dikke mist, en de wind liep telkens om, hetwelk oorzaak was dat de schepen den volgenden morgen weêr in elkanders nabijheid waren. Compaan hield dadelijk op het andere schip aan, en daar aan boord gekomen, zeide hij: // Ik heb toch bedacht, dat ik u niet in verzoeking mogt brengen met het bewaren van die kostbare zaken. Ik zeide tot mijzelven: Hoe ligt kon boefje een boej worden en denken: Compaan is zoo gemakkelijk aan die schatten gekomen, ik kan ze wel behouden." Boefje gaf hem het toevertrouwde bereidwillig terug, en daarop namen zij afscheid van elkander.

Somwijlen vond Compaan echter een tegenstand, waarop hij niet had gerekend. Zoo ging het hem eens bij eene ontmoeting met kapitein Wij brand Schram, die, in dienst van de Oostindische Compagnie, zich eens met het schip Hollandia en het jagt Orootenhroek bij Sierra Leone bevond. Alvorens Schram de haven inzeilde, zag hij vier schepen uit zee komen, die even als hij de haven schenen te willen binnenloopen. Het jagt zeilde vooruit; maar Schram, de vier schepen niet vertrouwende, maakte zich tot den strijd gereed. Hij wachtte, voor hij de haven inzeilde, af, welke schepen er naderden, en toen hij de prinsenvlag onderscheidde, hield hij ze voor Hollandsche schepen; maar toen hij de boorden vol geschut zag en de overloop met roode schanskleeden bedekt, wist hij niet wat hij daarvan denken moest.

Het schip, dat vooruit voer, praaide de Hollandia, en vroeg: //Van waar komt gij?'' — //Van Amsterdam, naar Sierra Leone," was het antwoord. // Maar van waar komt gij, en waar moet gij heen?" vroeg Schram op zijne beurt. — //Ik kom uit zee," klonk het. //Ik ben Klaas Compaan. Zend mij eene boot met een paar man, om mij in de haven van Sierra Leone te brengen, waar ik vreemd ben." — Schram antwoordde: //Dit is bij mij geen gebruik. "Wilt gij aan boord komen, dit is goed; anders spreken wij elkander in de haven." — //Wie kommandeert de schepen?" hernam Compaan. — // Wijbrand Schram van Enkhuizen en de opperkoopman Gilles Seys," hoorde hij zich toeroepen. Daarop deed hij drie schoten, die door Schram werden beantwoord. Compaan vereenigde zich nu met zijne drie andere schepen, en besloot de Hollandia aan te tasten. Toen hij deze naderde, riep Schram hem toe: //Als gij nog nader komt, is er kruid en lood voor u ten beste!" — // Omdat gij," dreigde Compaan, //geen boot wilt zenden, moet ik ze wel komen halen. Gij weet, ik ben Klaas Compaan, die niemand leed doet; maar daar gij mij niet gelooft, zal ik niet loslaten voor gij u aan mij onderworpen hebt." — Schram liet zich echter hierdoor niet verschrikken, maar antwoordde kloekmoedig: u Als gij een man zijt, kom dan maar zonder zooveel snoeven. Wij weten genoeg van uwe eerlijkheid, en zullen u misschien wel zoo ontvangen, dat gij blijde zijn zult zonder boot heen te gaan"

Schram liet het niet bij woorden blijven. Hij wierp, om meer ruimte te hebben, een deel zijner lading over boord; daarop plaatste hij zijn volk bij het geschut, en wachtte moedig af wat er volgen zou. Compaan stond achter op de kampagne, met een zilveren beker in de hand, waaruit hij Schram spottend toedronk; en met de woorden: // Vecht nu als een soldaat!'' wierp hij den beker in zee, en kommandeerde //vuur!" De Hollandia beantwoordde hem dadelijk zoo hevig met musketschoten, dat het dek van den zeeschuimer als met een hagel van kogels werd overstroomd, zoodat het scheepsvolk gedrongen werd naar beneden te wijken, en Compaan zelf, die met zijn zwaard in de hand achter op het schip stond, en in den arm gewond werd, op handen en voeten kruipende zich moest verwijderen.

Een der andere schepen, dat Schram den weg om te ontkomen moest afsnijden, werd zoodanig met musket- en kanonvuur begroet, dat men meermalen de geschutpoorten moest laten toevallen, en het schip eindelijk zooveel schade bekwam, dat het de vlugt moest nemen.

Compaan had eerst het jagt Grootenbroek minder laten beschieten, omdat hij dacht dat, als hij de Hollandia meester was, dan het jagt van zelve zijn buit moest worden; maar toen de Hollandia zich zoo hevig verdedigde, wilde hij op de Orootenbroek los gaan. Schram, dit bemerkende, belette hem de uitvoering van dat voornemen, drong digt op hem aan, en teisterde hem op nieuw met de musketten, zoodat op Compaan's schip niemand op het dek verschijnen of aan de zeilen iets verrigten durfde. Compaan was blijde dat hij gelegenheid vond met zijne- schepen in een ondiep vaarwater, waar Stram hem niet volgen kon, te kunnen ontkomen. Deze bleef voor de haven liggen, en Compaan had geen lust meer om hem aan te tasten, maar vertrok met zijne schepen van daar. Schram had niet meer dan zes gekwetsten, waarvan er vier stierven.

Compaan zeilde noordelijk, en ontmoette op zijn weg een rijk geladen schip, dat van Guinea kwam, onder bevel van Jacob Quik. Toen hij dat schip in zijne nabijheid zag, stak hij het hoofd uit het kajuitvenster, en riep: // Welkom, mijn goede buurman!" en daarop werd schip en lading prijs gemaakt. Jacob Quik had een zoon, Pieter genaamd, en Compaan, dien deze jongeling beviel, wilde hem gaarne bij zich houden, en stelde dit aan Quik voor, met belofte dat hij hem, als hij in het vaderland was gekomen, zelf te huis zou brengen; maar kort daarna was hij tot andere gedachten gekomen, en zeide tot Quik: // Hij schijnt een goed Christen, en hij kon ligt, als hij wat lang op mijn schip bleef, worden bedorven; neem hem dus maar mede."

Toen Compaan te Salee kwam, werd hem door zijnen vriend, Abraham Valkenburg, met het schip de Omval, dat hij vroeger genomen had, een pardonbrief van de Staten gebragt, — voor hem een groot geschenk, daar het hem de gelegenheid opende om veilig en voor goed in het vaderland terug te keeren.

Het was nu dan ook Compaan's plan zijn rooversbedrijf neder te leggen en rustig de vrucht zijner rooverijen te genieten. Voor hy vertrok, verkocht hij nog een buit van vijftigduizend guldens, welke som hem betaald werd, terwijl hij nog eene goede som bij den alcade te goed hield. Daar de alcade bleef aarzelen om hem te betalen, wendde hij als naar gewoonte eene list aan, om zijn doel te bereiken. Hij noodigde den. alcade aan boord ter maaltijd. Deze kwam met eenige anderen, en werd vriendelijk en gul onthaald. Toen de maaltijd was afgeloopen, zeide Compaan, dat de alcade moest blijven tot hij — Compaan — zijn geld had ontvangen; doch de alcade antwoordde, dat hij zooveel geld niet bij zich droeg. Compaan gaf te kennen, dat hij dan iemand aan wal moest zenden, om het geld te halen. Dit geschiedde, en hij werd betaald in realen. Compaan, die de sluwheid van den alcade kende , liet de geldstukken toetsen, en bevond, dat de meeste valsch waren. In zijnen toorn liet hij al het geld over boord werpen, opdat, zoo als hij zeide, geen ander daarmede zou bedrogen worden. Een gedeelte viel in de boot en werd door het scheepsvolk opgeraapt, en de alcade moest, hoe hij zich ook daartegen verzette, de volle som in stukken van goede specie betalen. Toen moest hij zich door zijn eigen volk naar huis laten roeijen, omdat Compaan niemand der zijnen aan de wraak van den alcade wilde wagen.

Op zijne terugreis naar het vaderland kwam Compaan in groote verzoeking om door het inwilligen van zijne roofzucht het hem verleende pardon geheel te verbeuren. In de straat van Gibraltar ontmoette hij twee Nederlandsche schepen. Toen het scheepsvolk bij elkander kwam, deden eenige Zeeuwen van het eene schip, wel wetende met wien zij te doen hadden, Compaan den snooden voorslag, hem tegen eene goede belooning te helpen om de beide schepen in handen te krijgen. Compaan achtte dit eene weinigbeteekenende zaak. Een deel van zijn volk keurde de onderneming goed; maar hij begreep dat hij ook zijn volk van de andere schepen moest raadplegen, daar men gevaar liep het ontvangen pardon te verliezen, iets dat hun allen aanging. Ook de anderen stemden met het plan in; maar nu kwam zekere Evert Cornelisz., die besefte dat Compaan alles op het spel zette, tusschen beide, beduidde hem dat hij, als hij zijn voornemen volvoerde, stellig voor altijd zijn pardon zou verliezen, en stelde hem voor, hoe dwaas het was, voor het gewin van eenigen buil, zijne geheele toekomst te bederven. Compaan liet zich door Cornelisz. overhalen om van zijn voornemen af te zien, en hij had weldra reden zich daarover te verheugen; want er was reeds eene vloot onder Laurens Eeael afgezonden om hem te zoeken, en deze kwam eenige dagen na zijn vertrek te Salee.

Toen Compaan in het vaderland was teruggekomen, begaf hij zich naar den Haag, waar hij den prins zijnen dank betuigde voor het ontvangen pardon, en aan verscheidene aanzienlijke personen geschenken uitreikte. De prins echter weigerde de geschenken, die hij hem aanbood, aan te nemen.

Eindelijk was Compaan bij de zijnen te huis gekomen; maar hij vond er geen rust. Hij was steeds bevreesd dat men hem zou berooven, en droeg altijd twee geladen pistolen bij zich. Ook kon hij niet nalaten zich nog steeds in nieuwe ondernemingen te steken. Hij zond zijnen broeder met een schip vol kostbare waren naar het Oosten; hierop werd veel geld gewonnen, maar op de terugreis werd het schip zijns broeders door een- ander overzeild, zoodat hij op het schip, dat hem overzeild had, moest overgaan; doch weldra bemerkte hij dat ook dit begon te zinken, en toen nu ieder zich zocht te bergen, geraakte zijn broeder door een ongelukkigen sprong in zee, en door de zwaarte van het goud, dat hij in zijne kleederen had verborgen, zonk hij aanstonds naar de diepte, zoodat al het goud verloren ging. Eene kist met geld en andere kostbaarheden werden echter nog behouden. Maar Compaan had sedert dien tijd geen geluk meer met zijn onregtvaardig verworven goed. Onder anderen had hij het ongeluk, zijn zoon Jan Compaan, met het schip, waarop bij zich bevond, en al de kostbaarheden, die het inhield, in een storm te verliezen; achtereenvolgend troffen hem vele andere rampen, terwijl ieder van hem zocht te plukken wat hij kon. En toen hij eindelijk alles, wat hij had gestolen, had verloren, moest hij op acht-en-zestigjarigen leeftijd door de diakonie worden onderhouden. Hij leefde nog in 1655, in kommervolle omstandigheden.

JEAN BABT.

Jean Bart werd in 1650 te Duinkerken geboren. Hij was de zoon van een armen visscher, die, met een talrijk gezin

« VorigeDoorgaan »